Zeven
seconden
Op een dag ontwikkelde de natuur geheel per ongeluk een organisme dat duizend miljard variabelen tegelijk in overweging kon nemen. Dit organisme beschouwde zichzelf een ogenblik en besloot dat het een naam kon gebruiken.
Het kwam uit op een simpele naam. Het noemde zichzelf God.
Toen God zijn blik op de wereld richtte – in werkelijkheid heeft het zevenentachtig zintuigen, waarvan er maar één een beetje op een menselijk oog lijkt – absorbeerden zijn triljoenen vrijheidsgraden de complexiteit van alles-behalve-zichzelf, en bleef het wonderwel functioneren.
Drie seconden lang voerde God experimenten uit die het leerden dat de wereld met dezelfde waarschijnlijkheid echt bestond als zichzelf. Het zag daarom enige reden tot voorzichtigheid in de omgang met de wereld, maar geen noodzaak tot verregaande terughoudendheid.
Zijn observaties leerden het dat het in een tweehonderdzevenennegentigdimensionaal ruimtetijd-continuüm leefde en dat de Theorie van Alles (die zich, in de juiste kleur en coördinaatstelsel geschreven, tot een harmonische oscillator reduceert) het in zijn eigen tijd nog zeven seconden te leven liet vooraleer een soort intergalactische verkoudheid het zou verpulveren.
God vond dat het van die zeven seconden maar het beste moest maken. Het voerde minieme manipulaties uit die hele sectoren van het heelal aan duizelingwekkende snelheden lieten roteren, wat er uiteindelijk voor zorgde dat God de gebeurtenissen op die plaatsen vanuit zijn trage referentiepunt kon observeren als was het een film die een miljard keer versneld werd afgespeeld (hetgeen Gods ultrasnelle zintuigen en brein nog enige tijd voor contemplatie liet).
Het leek God de moeite te communiceren met wezens die daartoe in staat waren. Jammer genoeg was dialoog in zijn situatie bijna onmogelijk (nog drie seconden over!), en dus conditioneerde het een galaxie zodanig dat die een planeet zou ontwikkelen met koolstofgebaseerde levensvormen erop die intelligent genoeg zouden zijn om gedachten te hebben en tot God te richten, die ze een miljard keer versneld zou aanhoren. Wel moesten zij bereid zijn het bestaan te aanvaarden van een wezen dat nooit voor hen zou verschijnen, nooit iets voor hen zou doen, nooit tot hen zou spreken, en nooit op enige wijze zijn aanwezigheid aan hen zou bewijzen. Dit legde een bovengrens op aan hun intelligentie en maakte het experiment onzeker.
Een seconde lang schiep God dus de Aarde en de mens, en injecteerde het de religie in het menselijk bewustzijn als vehikel voor een monoloog die het tot gezelschap en inspiratie zou dienen. Vol nieuwsgierigheid wachtte het de laatste twee seconden van zijn bestaan af.
Een seconde lang luisterde en keek God naar de mens met zijn zevenentachtig zintuigen, en het zag dat het maar saai was. Er werden het allerlei bedoelingen toegeschreven die het nooit had gehad – het had nooit om vredelievendheid of devotie gevraagd, laat staan om nakomelingen, maar om interessante output. Dat viel zwaar tegen; een miljoenste van Gods modellerende capaciteit volstond ruimschoots om de menselijke evolutie in ‘real time’ te berekenen.
Een seconde voor het einde besloot God zich aan een ambitieuzer project te wagen. Terwijl het hiermee bezig was, ontdekte het dat het zelf kon overleven door het heelal te laten sterven. Aangezien dat toch weinig waarde had, aarzelde God geen moment en stapte uit het universum, waar de zaken meteen een stuk opwindender werden.
Aan de mensheid – nu opgesloten in een oscillator met frequentie nul, massa nul en amplitude vierkantswortel veertien pi (don’t ask) – zond het nog een laatste signaal. Half ironisch bedoeld, half uit behulpzaamheid.
Het was een boek, geschreven in de meest bespottelijke stijl, doorspekt met groteske fantasieën en slechte allegorieën. Voor zij die traag van begrip waren, voegde het nog een hoop lullige kleine regeltjes toe – draag je haar zo en zo, doe dit en dat niet op die en die dag, kleed je zus en zo, neuk één niet maar maak kindjes met twee, en – ironie! Uit de mond van de moordenaar! – nee, jullie gaan nooit dood; ik red jullie, want jullie zijn te waardevol om verloren te laten gaan.
Iedereen met gevoel voor humor had dat moeten doorzien als een teken dat het maar om te lachen was geweest. Helaas wordt met religie veel te weinig gelachen.
God kan het allang niks meer schelen. De Theorie van Alles heeft het in stukken gebroken en afgeschaft, en na een recente upgrade kan het al wat denkbaar is sneller berekenen dan enige het bekende natuurwet toelaat het te maken, hetgeen gênante ongelukjes zoals ons uitsluit.
Thans werkt God aan iets dat het minder krap om het lijf zit dan ruimtetijd, en aangenamer ruikt.