Torren

 

 

Er was eens, niet zo lang geleden, in een verre uithoek van ons landje, een kikker die Torren heette.

Jawel, Torren was een kikker, een flinke groen-bruine knaap met finkelfonkelige blauwe oogjes.  Hij was snel en vrolijk sinds de dag dat hij uit een blubberig eitje kwam gezwommen om de wondere wereld daarbuiten te verkennen.  Een heel jaar bleef hij wonen in het kikkerdorp waar zijn moeder hem ter wereld had gebracht.  Het was een rustige, zompige poel met veel zon, verborgen in een zee van hoog gras en lage planten.  Daar groeide hij gelukkig op, en hoewel hij zeker niet de grootste of de sterkste jonge kikker was, veroverde hij met zijn speelsheid en zwier de harten van bijna alle kikkermeisjes in de poel.  Torren was lief voor hen allemaal, maar er was er ééntje waarvan hij werkelijk hield, zijn eerste en enige liefde.  Lenkse heette zij, een groene kikker met bolle wangen en blinkende donkere ogen.  Hij maakte grapjes met haar, zong liedjes, en ving voor haar de vetste vliegen.  Zij speelden, zij zwommen en doken, ze hupsten en hopsten door gras, door modder en water.  Elke volwassen kikker heeft zijn eigen plekje aan de poel – dat kan een mooie platte steen zijn, een paar overhangende planten, of een comfortabele graspol – en tijdens hun luie middagdutje (wat bij kikkers ook effectief een middag duurt) keken zij met een half oog het jonge paartje na, zo dartel en vermakelijk was hun spel.

Maar toen zijn eerste levensjaar zo ongeveer voltrokken was, voelde Torren dat de dingen veranderden.  Hij werd nu volwassen, en hun liefde kon niet meer zo vrijblijvend zijn.  Ze moesten zich aan elkaar binden en een gezinnetje stichten, of uit elkaar gaan.  Natuurlijk wilde hij bij haar blijven, en zij bij hem.  Maar Lenkse was de dochter van de kikkerkoning van de poel.  Dat stelt eigenlijk niet zoveel voor, maar er werd toch belang aan gehecht.  Als Torren met haar zou trouwen, werd hij meteen de opvolger van de kikkerkoning, en daar ging men niet zo lichtzinnig over.  Van oudsher was het de gewoonte dat een man in Torrens positie een ernstige proef moest doorstaan voor hij z’n geliefde kon trouwen.

 

Op zijn eerste verjaardag sprong Torren dan ook met knikkende knieën naar de knokige wortels van de moerascypres waartussen de kikkerkoning zijn huisje had gevestigd.  Het was een frisse lentemorgen, de zon kwam nog maar net boven de horizon gluren, en Torren had het koud.  Ook de koning had het koud, en hij vond Torren bovendien een te luchtige, onbezorgde knaap voor het koningschap, dat hijzelf buitengewoon ernstig nam.  Hij besloot de arme jongeling dan ook voor een haast onmogelijke opdracht te plaatsen.

Zeventien generaties terug waren de kikkers uit het hoge noorden afgezakt om zich in de poel te vestigen.  Uit hun thuisland hadden zij een bijzonder tuig meegebracht : een schommel.  Hij stond op een zanderig strandje naast de poel waar de kleine kikkertjes vaak speelden.  Zij sprongen dan op de schommel, lieten zich in het zonnetje een tijdje heen en weer wiegen, en doken dan met veel show en acrobatie het water in.  Het fantastische bouwwerk, al een beetje gammel na de lange reis, had de tand des tijds echter niet al te best doorstaan.  De taaie halmen die stokjes en biezen aan elkaar bonden, waren tot op de draad versleten.  Het hout was aan het rotten en zat vol schimmels.  Het was eigenlijk een wonder dat er nog geen ongelukken waren gebeurd.  Niemand geloofde dat de schommel nog een jaar zou leven.

‘Torren,’ sprak de kikkerkoning kort en koel, ‘breng onze poel een nieuwe schommel en je krijgt de poot van mijn dochter.’

Alle aanwezigen hielden verschrikt hun gekwaak in.  Natuurlijk wilden ze graag een nieuwe schommel, maar was dit geen taak waarvoor zelfs de dapperste kikkermannen terugdeinsden?

De arme Torren kon niet anders dan zich sterk houden en de opdracht aannemen.  Niemand geloofde ernstig dat hij ook maar enige kans maakte.

 

Nog voor het middag werd, vertrok onze dappere kikker.  Van een groot blad vouwde hij een handig zakje, vulde het met verse vliegen en knoopte het om zijn buik.  Hij nam snel afscheid van Lenkse, zodat ze niet zou merken hoe bang hij was.  Toen kwaakte hij nog eens luid en sprong kwiek van de poel weg.

Net buiten het dorp wachtte de kikkerwijze hem echter op.  Hij kon de beslissing van de kikkerkoning niet ongedaan maken, maar hij besloot zijn jonge vriend zo goed mogelijk te helpen.

‘In het verre Zweden, honderd plassen van hier, ligt er een plaats waar onze oude verwanten tuigen plachten te vinden.  Het heet Ikea, maar of dat een mensendorp is of een kikkerpoel, weet ik niet,’ vertrouwde de wijze aan Torren toe.  Ook waarschuwde hij hem ervoor dat er ver van huis vreemde lieden wonen, die men niet zomaar mag vertrouwen.  Tenslotte gaf hij hem een buideltje mee waarin hij drie kikkerzegeningen had verborgen, elk in een taai blad gewikkeld.  Torren mocht ze gebruiken als de nood hoog was, en alleen dan.

 

Torren dankte zijn oude vriend en hupste weg, noordwaarts.

 

 

 

*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$

 

 

 

Torren slaakte een treurig, burpsend geluid.  Om zover gekomen te zijn en dan de weg volkomen versperd te zien …

Twee maanden was de jonge puit al onderweg.  Twee maanden lang had hij zijn vertrouwde poel moeten missen, en had hij het giechelende gekwaak van zijn liefste Lenkse niet gehoord.  Honderd plassen ver was hij gereisd, en daarna nog eens honderd, meer plassen dan zelfs de kikkerwijze kon tellen.  Aanvankelijk had hij bij familie geslapen, daarna hadden verre verwanten hem al eens iets te eten toegestopt.  Nog later hadden vreemden hem de weg gewezen.  Steeds was het kouder geworden.  Torren had zich sinds drie weken niet meer lekker warm gevoeld.  Twee van zijn zegeningen had de koene kikvors al moeten gebruiken.  De eerste had hij na lang aarzelen geopend toen hij bijna van de honger was omgekomen middenin een eindeloze grasvlakte waar de insecten sneller en slimmer waren dan hij.  Hij had het blad opengevouwen waarin de zegening verpakt zat, en er was een stinkende blubber uitgekomen, zo naar bederf en verrotting walmend dat Torren wilde vluchten.  Maar hij had het smerige goedje nog maar half de rug toegedraaid, of zijn oren werden al vervuld van het zaligste geluid onder en boven water – vette zoemende vliegen.  Als om te compenseren voor hun eerdere terughoudendheid, lieten ze zich zonder weerstand van de blubber afplukken.  Torren had gevreten en gevreten tot zijn buik haast barstte.

Een dag of tien later was hij verdwaald in een gevaarlijk moeras waar grote vissen met hongerige kaken loerden op alles wat bewoog.  Na drie hachelijke ontsnappingen had Torren de moed verloren.  Op een veilige graspol had hij een zegening bovengehaald en opende voorzichtig het blad.  Het gleed uit zijn glibberige poten en terwijl het in het water neerdwarrelde zag hij dat het blad leeg was.  Leeg!

Vloekend zag hij het blad wegdrijven.  Wacht, het dreef stroomopwaarts!  Met de moed der wanhoop hupste Torren op de oever met het blad mee.  Een uur later verliet hij het moeras en trok hij een lieflijk heidelandschap binnen.  Torren huilde natte tranen en dankte de kikkerwijze wel tien keer.

Tenslotte hadden vreemd kwåkende kikkers hem tot bij de kust gebracht en hem een veilige sluiproute getoond die de lompe tweevoeters niet kenden.  Zo zwom Torren veilig over naar het land waar zijn heenreis zou eindigen, het verre Zweden.

Nog vreemder kwækende kikvorsen hadden hem in allerijl van het Zweedse strand geplukt om in een donker hol onder te duiken.  Torren, die de grijpgrage klauwen van reigers had ontweken en uit de snavel van een ooievaar was ontsnapt, die achterdochtige paddenkoninginnen om zijn vinger had gewonden en al zowat elk insect op het noordelijk halfrond verorberd had, begreep niet goed waar al die geheimdoenerij voor nodig was.  En dus legden ze het hem uit.

Al eeuwenlang leed het Zweedse vorstenhuis aan een ernstige genetische ziekte, zo was ontdekt door bezorgde grijsblauwe boomkikkers, die zichzelf terecht beschouwen als het meest intelligente ras in en uit de poelen.  Zij brachten slechts mannelijke nazaten voort.  Aldus krioelde het in de Zweedse paleizen van de prinsen op zoek naar een bruid van hoge afkomst.  En hoe verbetener deze mannen van koninklijken bloede poogden kostbare dochters te verwekken, des te groter werd de groep gefrustreerde jonge kerels.  Waarom de Zweedse koningszonen niet gewoon braken met het domme voorschrift om alleen vrouwen van een bepaalde stand te huwen, begrepen de kikkers niet, maar zij achtten zich niet verantwoordelijk voor een anders domheid.  Even werd in hun midden geopperd om het kikkerse geheim van de geslachtsverwisseling bij prinsen te implementeren, maar al snel verwierpen zij dit idee omdat zij het ethisch onaanvaardbaar vonden om zo in te grijpen in de dynamiek van een ander ras.  De situatie werd echter ook voor de kikkers een probleem toen de prinsen zich oude volksverhalen herinnerden waarin gekuste puiten veranderden in wulpse jonkvrouwen.  Al spoedig zwermden de prinsen in grote getale uit over het land, op zoek naar kikkers om te kussen.

Hoeft het gezegd te worden dat de kikkers dit helemaal niet wisten te waarderen?  Er was de grote emotionele stress, natuurlijk, en de onhandigheid waarmee hele poelen vertrapt en vervuild werden tijdens de zoektocht.  Bovendien veranderden de kikkers natuurlijk niet in jonkvrouwen – waarom zouden ze?  Het vooruitzicht met die prinsen te moeten leven, was niet echt aanlokkelijk – en bekochten dat soms met verwonding of een afterlife als culinaire delicatesse.

Maar de prinsen bleven komen.  Soms schoolden ze samen en kamden ze in bendes het land uit op zoek naar nietsvermoedende slachtoffers.  De kikkers werden gedwongen zich te organiseren en te verbergen.  De impasse was nu totaal, en niemand wist een uitweg.

 

 

 

*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$

 

 

 

Na drie dagen kon Torren het niet langer harden in dat akelige hol.  In zijn dromen lonkte Lenkse.  Tijdens een kletterende regenbui plonsde hij het gevaarlijke Zweden in.

Al snel sloeg het noodlot toe.  Een trio van prinsen besprong hem vanachter struikjes en graspollen; eentje kwam zelfs vanuit de modder opgedoken.

 

Het was walgelijk.  De prins perste zijn roze, vlezige lippen tegen Torrens mond en versmachtte hem bijna met een kus.  Al tegenstribbelend brak de kikker per ongeluk de derde zegening.

‘Laat me los!’ riep hij – Torren sprak de taal van de tweepoters!

Terwijl de mannen hem meevoerden naar een of ander kasteel, in de hoop dat hij na te hebben gepraat alsnog in een ranke deerne zou veranderen, luisterde Torren aandachtig naar hun gesprekken.  De drie konden het wonderlijk goed vinden met elkaar, en dat bracht de koene puit op een idee.

Waarom konden die prinsen niet met elkaar trouwen?  Dan hadden ze een levensgezel, én zouden ze niet nog meer gefrustreerde jongelui op de wereld zetten.

 

Toen Torren die avond werd tentoongesteld op een congregatie van koningszonen, nam hij het woord.  Omdat kikkers menen dat tweepoters bijzonder bijgelovig zijn, deed hij zich voor als de zoon van een kikkergod, en zo maakte hij grote indruk.

Torren introduceerde de homoseksualiteit in de Zweedse dynastie.

 

Een maand later was Torrens leer over het hele land verspreid, en talloze prille prinsenpaartjes flaneerden verliefd over de Zweedse straten en pleinen.  Het Zweedse vorstenpaar schonk Torren als dank de mooiste schommel ooit gemaakt en verbood het eten van kikkerbillen.  De Zweedse kikkers kropen uit hun holen en trachtten Torren tot hun koning te kronen.  Toen hij bleef weigeren, gaven ze hem een escorte van tweehonderd kikvorsen om de schommel naar het verre zuiden te brengen.

 

 

 

*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$*$

 

 

 

Zes maanden na zijn vertrek, in het licht van het laatste zomerzonnetje, plonsde Torren voor het eerst weer zijn oude poel in.  Meteen stond het kikkerdorp in rep en roer, maar onze held zag het niet.  Hij zag evenmin hoe de Zweedse kikkers in minder dan geen tijd de prachtige schommel opbouwden.

 

Torren zag alleen Lenkse.  Zij sprongen elkaar in de armen, zij lachten en huilden, zij kwekten en kwaakten en hun oogjes finkelfonkelden als nooit tevoren.

Die avond nog trouwden Torren en Lenkse.  De kikkerkoning gaf Torren zijn kroon, en die vond het allemaal goed.

 

Samen maakten zij wel honderdduizend kikkervisjes, en ze schommelden nog lang en gelukkig.