Lud

 

Er was eens een land waarin tekeningen meer waren dan beeltenissen.  Of liever : waar beeltenissen niet los konden staan van de wereld die zij verbeeldden.  Tekenaars, schilders, beeldhouwers en houtsnijders waren er ongemeen machtige figuren, want de werken die zij wrochtten vertelden iets over de werkelijke wereld, waren er onlosmakelijk mee verbonden.  Naargelang het talent van de kunstenaar was de kracht van hun beeltenis verwaarloosbaar klein of ontzaglijk groot.  Sommigen tekenden abstract en vermochten met hun schetsen bepaalde gevoelens de wereld in te sturen ; minder begaafde tekenaars beïnvloedden zo slechts degenen die hun werken aandachtig bekeken, maar anderen verstonden de kunst ware golven van emotie te ontketenen.  Andere kunstenaars werkten ‘concreet’ : zij beeldden de wereld af en het eigenlijke werk gebeurde tijdens het creëren van hun kunst : een moeizaam scheppingsproces waarin zowel wereld als beeltenis betrokken waren, waarin zij naar elkaar toegroeiden, bij elke penseelstreek, bij elke houw met de beitel opnieuw gestalte kregen en realiteit werden.  In zekere zin bestond de wereld zoals hij afgebeeld stond.

Beroemde voorbeelden zijn de grote Ledde van Gelena, die jarenlang een reusachtige obelisk bewerkte op het stadsplein van Threnna en zo de inwoners van die stad van vrede en blijdschap voorzag (gedurende zijn leven bleef de stad quasi volledig gespaard van onrust en ellende); de machtige Rüth die in een grot nabij de Hungletsjer leefde en elke morgen in de verse sneeuw het weer uittekende waaraan iedereen honderd mijl in de omtrek zich mocht verwachten; en tenslotte moet ook de grote Janno vermeld worden, die met zijn onnavolgbare talent de Meesters van de School der Tekenaars talloze malen bespotte, maar voor zover geweten nooit enige machtige of ingrijpende daad stelde.  Zo fijnbesnaard was zijn kunst, dat hij zich in winkel noch op markt hoefde te begeven : wanneer hij honger had, schilderde hij zijn avondmaal en wandelde vervolgens naar de keuken, alwaar dezelfde verrukkelijke lekkernijen zonder falen op hem zouden staan wachten.

Het mag niet verwonderen dat in een dergelijke wereld kunstenaars machtige mensen waren ; toch schijnen zij zich zelden aan een echt bewind gewaagd te hebben.  Veeleer streefden velen hun eigen doelen na, of lieten zich voor de kar van menig heerser spannen.  Een onberekenbare chaos was vele jaren lang het gevolg.  De ene ontbeeldde wat de andere gebeeld had; kunstenaars wedijverden met elkaar in de realiteit die aan hun werken verbonden was; onzekerheid en miserie waren de kinderen van hun streven.

Wijselijk besloten de koningen dan ook om hieraan paal en perk te stellen.  Gedurende vele harde maar geduldige jaren wijdden zij zich aan de moeilijke taak de kunsten te beteugelen.  Zij verenigden beelders in kringen en faculteiten, verdreven anderen met kracht en geweld uit hun landen of knoopten hen op en vernietigden (niet zonder gevaar) hun werk; zij bemoeilijkten het opleiden van nieuwe kunstenaars en beknotten de macht van alle overblijvenden tot aan de anarchie een einde gesteld was.

Enkele kunstenaars stelden zich werkelijk ten dienste van de koningen en hun bekommernissen over de wereld.  Zij waren het, veelal de machtigsten onder de huidige generatie van afbeelders, die de stroming van de abstracte kunst lanceerden : een stroming die geen ander doel had dan het afbeelden van dingen die zo vaag zijn dat ze nauwelijks of geen band met de werkelijkheid meer hebben en dus ongevaarlijk zijn.  Dat de inspiratie en de bevrediging die van een dergelijk werk uitgaan, maar schriel afsteekt bij de echte kunstwerken, behoeft nauwelijks betoog, en de koningen en hun aanhangers worden dan ook door een elite beschouwd als werkelijke barbaren; de koningen echter lieten zich dit welgevallen en zagen hun wensen bewaarheid worden : talloze kunstenaars legden zich toe op deze onschuldige abstracte kunst ; zij die nooit anders gekend hadden, niet opgeleid waren, zijn zelfs hoe langer hoe meer in staat om ook concretere beelden te maken die niet gelinkt zijn met de wereld (hoewel het ten zeerste onduidelijk blijft in hoeverre deze trend zich zal voortzetten).  Het spreekt voor zich dat dit soort mensen de naam kunstenaar niet echt meer waardig is.

Elk verzet tegen de abstracte kunst werd door de vorsten in het grootste geheim bestreden en bevochten, genadeloos de kop in gedrukt.  Het mag niet verbazen dat zij zich hiervoor van tekenaars en schilders, van houtsnijders en beeldhouwers bedienen.

Zo ontstaat stilaan een wereld van makke, ongevaarlijke, salonfähige nieuwe jonge kunstenaars, die veel praten en geprezen worden – feitelijk omwille van hun domheid – met in de schaduwen oudere figuren, de kunst nog machtig, die heimelijk bewegen, door noodzaak gedreven de grote spelen, de veldslagen van de politiek volgen en zich van pionnen bedienen ; in de coulissen bewegen de handlangers van de koningen, de grote hoftekenaars : nog in macht gestegen nu de rangen verdunnen, bekleden zij machtige posities, zijn zij onmisbare stukken op het schaakbord van de politiek.

Het is in die wereld dat het verhaal van de kleine Lud begint.