Osama
I,
De
thanatografie
Het merkwaardige sterven en dood van Osama dun Jaran
opgetekend door Kevin Jorissen
en opgedragen aan al wie in zijn dromen
Osama dun Jaran was net gestorven. Tenminste, hij was er bijna zeker van dat hij gestorven was : een onvoorzichtige twintigtonner was over hem gereden, had zijn laatste adem met verpulverende kracht uit zijn borst geperst, en zijn hart was, na vijfendertig jaren van hard labeur, zopas met een zuchtje in staking gegaan. Osama voelde zich vrij definitief dood.
Hij had altijd gedacht dat zijn hele, niet zo fraaie leven op dat laatste moment voor z’n onbeweeglijke ogen zou passeren en dat hij bij die allerlaatste kans tot inkeer zou komen. Dat hij oprecht berouw zou voelen voor zijn zonden, en meer algemeen voor de ongelooflijke knoeiboel die hij ervan had gemaakt. Hij werd dan ook enigszins kwaad toen hij niets meer ervoer dan saaie, stille duisternis, nog een beetje bevlekt met geclaxonneer, kreten om hulp, een gillende man – alsof de werkelijkheid slechts geleidelijk van hem afgleed.
Plots sputterde een helder licht ver boven hem, ging weer uit en sprong dan voorgoed aan, zijn ogen zozeer verblindend dat hij steken van pijn voelde. Niet zo ver weg fluisterde een stem boos, dan weerklonk een zweverige, tintelende melodie ; zachte tonen wiegden hem bijna in slaap.
Omdat hij het gevoel had dat het zo hoorde, zweefde Osama dun Jaran naar boven, naar het licht toe. Zijn lichaam was tot zijn niet geringe verbazing geheel gewichtloos ; wel vertoonde het een zekere vaagheid, alsof de wereld het even te druk had voor details. Zijn zweefvlucht leek niet echt op een reis doorheen een tunnel, vond hij; rondom hem kwam de duisternis slechts geleidelijk en in de verte meende hij klapwiekende gestalten te zien. Hij hoopte dat het geen vleermuizen waren en haastte zich verder naar het licht. Al snel moest hij zijn ogen sluiten, en dan nog doorboorde de felle schijn zijn oogleden. Osama voelde erge hoofdpijn opkomen, maar weerhield zich ervan te vloeken. Niet hier, niet op dit moment.
Met een klap kwam hij tot stilstand. Hij hoorde een schreeuw van pijn, viel bij met een kort scherp gilletje en realiseerde zich toen plots dat hij weer kon zien. Maar hij geloofde zijn ogen niet.
Voor hem stond een wezen dat er min of meer menselijk uitzag – afgezien van bijzonder hoge jukbeenderen, heldere fonkelgele ogen, een extreem gladde ambergouden huid en, o ja, twee melkwit gevederde vleugels die aan stevige schouderbladen ontsproten en van de ene vleugelpunt tot de andere wel een meter of drie, vier overspanden. Het creatuur – hij was er nog niet klaar voor om het ‘engel’ te noemen – wreef krachtig over zijn voorhoofd ; kennelijk was Osama daartegen gebotst. Op de grond (of beter : op het stukje duisternis waarop Osama en de engel stonden) stond een kleine houten constructie waarop een vies, bruinachtig object lag, ongeveer zo groot als een voetbal, dat net genoeg vaal licht gaf om een paar meter ver te kunnen zien.
‘Wat hebben ze er weer een potje van gemaakt Daarboven!’ snauwde het gevleugelde wezen. ‘Hoe kan iemand nu zijn werk doen met zo’n onprofessioneel materiaal!’
Toen scheen hij zich te herinneren dat hij niet alleen was.
‘Excuseer, meneer dun Jaran,’ sprak de engel gladjes. ‘Uw dood is helaas niet helemaal verlopen zoals gepland, maar we zijn hier nu toch, dus kunnen we er al net zo goed mee doorgaan. Volgt u mij, alstublieft.’
Het zweet brak Osama uit. Uw dood is helaas niet zo goed verlopen? Net zo goed mee doorgaan? Hij wilde protesteren, maar wist niet wat te zeggen. Dus volgde hij de engel, die er met stevige passen vandoor beende in een richting die zich op geen enkele manier onderscheidde van alle andere.
‘Dit had natuurlijk nooit mogen gebeuren,’ zei de engel op vinnige toon. ‘Supernova, weet u? Schandalig dat ze die nog gebruiken. Ik had mijn hand wel kunnen verbranden!’
‘Excuseer?’ piepte Osama. Het was niet veel, en niet zo gezaghebbend als hij had gewenst, maar meer kon hij niet opbrengen.
De engel stopte bruusk en keek hem onderzoekend aan met zijn barnsteengele ogen.
‘Ik zou u dit misschien niet mogen zeggen, heer dun Jaran, maar het is een beetje een heksenketel de laatste tijd. Wij hebben Wachters, ervaren gidsen zeg maar, die de gestorvenen opwachten en begeleiden. Maar het is zo druk de laatste jaren dat ze nu al Kijkers en Denkers en Sprekers inzetten. Spreker ben ik, Jereno Arendsblauw Yesaro van de Dageraadsdenkers! Het is een schande dat ze mij laten opdraven voor een dergelijk klusje!’ Hij snoof verontwaardigd. ‘Erg bekommerd om het Ritme, en de Dans, en de Dingen zijn ze Daarboven blijkbaar niet!’ riep hij kwaad, elke hoofdletter duidelijk articulerend.
‘O,’ waagde Osama. Hij wenste vurig dat hij iets constructievers had kunnen bedenken, maar zijn verbeelding liet hem in de steek.
Jereno Arendsblau Yesaro haalde een klein stukje papier tevoorschijn en staarde verbaasd naar de sierlijke gouden letters die erop gekalligrafeerd waren.
‘Wel verdraaid!’ protesteerde de engel. ‘Als ik vroeger had geweten dat je dáárheen moest, had ik misschien toch het lef gehad om te bedanken voor deze klus.’
‘Waarheen dan?’ smeekte Osama.
‘Geen getalm!’ blafte zijn gids. ‘Volg me, en gezwind!’
Daarop spreidde hij zijn vleugels, sloeg ze een enkele keer uit en suisde bliksemsnel weg. Alleen angst om alleen achter te blijven stelde Osama ertoe in staat te volgen, en later kon hij slechts met verbazing herinneren hoe hij dat gedaan had, vliegen doorheen de duisternis die het gebeente van de werelden is.
Een kleine eeuwigheid later stopten ze weer.
‘Daar is het,’ zei Jereno Arendsblauw, wijzend naar een felle lichtplek niet zo veel verder.
‘Ik laat je hier achter, als je het niet erg vindt. Ik begeef me niet graag zo ver in niet-Christelijke gebieden. Zelfs niet met diplomatische vrijgeleiden.’ Hij aarzelde even.
‘Veel geluk, Osama dun Jaran.’
En binnen een hartslag was de engel verdwenen.
Er restten Osama weinig keuzen. Hij zweefde naar het licht toe, kneep zijn ogen dicht en zwom er doorheen.
" ? 6 ?
Osama’s mond viel verder open dan enige etiquette op aarde kan dulden. Dik, sappig groen gras rolde glooiend voor hem uit. Aan het eind van die zachte, kriebelige loper stond een paleis als uit een sprookje. Blankwitte muren rezen vele meters op, onderbroken door talloze spitse of boogvormig uitlopende ramen. Een klein woud van sierlijke minaretten zweefde tussen gekleurde daken en met planten en bloemen verfraaide dakterrassen ; ze omcirkelden een grote, centrale toren die zich trots en elegant verhief boven de rest van het grote huis en uitliep in een gouden spits. Aan de verre zijde van het paleis meende Osama een stroompje, een grote poel en een bescheiden boomgaard te zien.
En in de tuin voor het paleis! Een groepje jonge vrouwen lag schaarsgekleed in het gras te lachen en te kwetteren ; onfeilbare mannelijke intuïtie stuurde een hevige prikkel naar Osama’s brein die betekent : schoonheid! Verrukkelijke schoonheid!
Andere mannen en vrouwen bewogen langs de muren van het paleis of lieten een glimp van zichzelf zien doorheen een venster. Uiteindelijk leek iemand hem op te merken. Osama zag dat er op slag commotie ontstond. Tot zijn grote spijt gleden de vrouwen als ranke gazelles naar binnen om al snel vervangen te worden door een klein groepje mannen. Het leek alsof ze op hem wachtten.
‘Hoogheid,’ sprak de eerste man. Hij boog diep; zijn hoofd was volledig kaalgeschoren en zo met olieën ingewreven dat het zonlicht erop weerkaatste. Zijn gezicht verried dat hij wellicht een jaar of vijftig oud moest zijn; pompeuze maar kostbare kledij gaf aan dat hij binnen het paleis een niet te versmaden status had.
‘Mijn naam is Obi Peléonaro, hoogheid. Ik ben uw eerste dienaar, u toegewijd voor de eeuwigheid. Het is een eer u te mogen begroeten.’
Aarzelend kwam de man weer recht, Osama enigszins achterdochtig in zich opnemend. Osama vermoedde dat hij de man al lang toestemming had moeten geven om uit zijn buiging op te staan.
Hoogheid? dacht Osama dun Jaran verbaasd. Hoe was hij hier in godsnaam terechtgekomen? Al liet zijn naam het niet meteen vermoeden, Osama was als christen geboren en gedoopt. Hij had zich daarvan in zijn volwassen leven niet al te veel aangetrokken, maar toch… Hoe was hij als een koning of een edelman in dit heidense paradijs terechtgekomen?
Nerveus bleef Osama staan. Hij wist dat iedereen wachtte tot hij iets zou zeggen, maar wat?
‘Dank je, Obi Peléonaro. Ik ben vermoeid van mijn reis en zou me willen verkwikken met een verfrissend bad.’ Hij trachtte zo kalm mogelijk te spreken, niet te haastig, anders zou hij vast en zeker over zijn woorden struikelen en een onhandige indruk maken op deze mensen.
‘Zeker, hoogheid,’ stemde de eerste dienaar toe. ‘Zal zijne hoogheid op weg naar de badvertrekken zijn paleis inspecteren?’ corrigeerde hij zo vriendelijk mogelijk de nalatigheden van zijn onwennige heer.
‘Goed, Obi Peléonaro,’ gaf Osama toe. Hij vroeg zich af hoe hij zijn dienaren in godsnaam moest aanspreken. Of werd hij verondersteld al hun namen te memoriseren? Memoriseren was nooit zijn sterkste kant geweest, of misschien was hij er gewoon steeds te lui voor geweest.
Een gevolg van vier mannen en vier vrouwen volgde dun Jaran en zijn eerste dienaar. Zij dwaalden doorheen een doolhof van vertrekken, het een al luxueuzer ingericht dan het andere. Voor elke denkbare bezigheid was wel een aparte kamer voorzien, leek het. Het paleis bulkte van het goud, marmer, houtsnijwerk, tapijten, beeldhouwwerken, sieraden, orchideeën en elke exotisme dat hij maar had kunnen verzinnen. Talloze zitkamers, keukens, eetkamers, speelkamers, rookkamers, bibliotheken, leeskamers, sterrenkamers, slaapkamers en allerhande soorten kamers waren er. (Later zou Osama leren dat zijn paleis over driehonderd achtenzeventig vertrekken beschikte.) Maar Osama sloeg pas echt steil achterover van verbazing toen ze bij de ingang van de vrouwenkamers kwamen.
‘Hier verblijven de zevenenzeventig maagden van uwe hoogheid,’ declareerde de eerste dienaar onbewogen.
ZEVENENZEVENTIG MAAGDEN?
‘Zij hebben opdracht gekregen zich op te maken voor de komst van hun heer. Ik zou uwe hoogheid willen voorstellen hen in het gele salon te ontvangen,’ ging de kale man verder. Er was nu iets nerveus in zijn blik, maar zijn stem bleef vast als een rotsblok.
Osama realiseerde zich verschrikt dat hij een zweetgeurtje met zich meedroeg. Het was nauwelijks merkbaar, maar voor een zelfverklaarde echte vrouwenversierder als hij (het soort dat denkt dat stijl best principes kan vervangen) was dat al reden tot paniek. En dat nu, bij de beste gelegenheid in zijn hele leven! (Hij realiseerde zich niet dat die laatste uitdrukking enigszins ongepast was.)
‘Ik zal de vrouwen ontvangen na het baden,’ kondigde hij wat korzelig aan.
De eerste dienaar kreeg het plots moeilijk. Zijn blik sprong een hartslag lang verschrikt heen en weer, zijn stem verloor iets van haar vastheid.
‘Ik verzeker uwe hoogheid dat de maagden voldoen aan de strengste normen, grote heer. Zij zijn de mooiste die er zijn, maagden zonder fout, en zij zullen zeker behagen, hoogheid,’ smeekte hij.
‘Ik trek uw oordeel niet in twijfel, eerste dienaar, toch niet voor ik hen gezien heb. Maar ik zal nu baden,’ sprak Osama vastbesloten.
G E " E
Osama was verrukt. Het bad bleek een heus zwembad te zijn, minstens tien op vijf meter groot, en gevuld met aangenaam warm water. Het badvertrek was subtiel geparfumeerd en gaf uitzicht op een deel van de tuinen dat, zo legde zijn verzorger uit, door de wacht ontruimd werd wanneer het de heer beliefde te baden. Voorts legde Skev (want zo heette de verzorger) uit dat heer Osama eender wie kon uitnodigen om met hem een bad te nemen, maar dat voor het echte bad (datgene met reinigende en verkwikkende functie) steeds Skev hem terzijde zou staan, die zeer onderlegd was in alle relevante technieken. Inderdaad was het Osama een waar genoegen om door de gespierde maar fijnzinnige jongeman zorgvuldig gewassen en afgedroogd te worden, vervolgens met welriekende olieën te worden gemasseerd en nogmaals kort gewassen; daarna werd hij geschoren, werd zijn hoofdhaar verzorgd, knipte en vijlde Skev zijn nagels bij en verrichtte hij tal van handelingen die spieren lieten ontspannen of lichaamsdelen stimuleerden waarvan Osama tevoren het bestaan slechts op een vage manier had vermoed. De aanrakingen van Skev’s grote handen waren ferm, maar op een voorzichtige, gecontroleerde manier, en lieten de huid verkwikt en lichtjes tintelend achter.
Toen Skev met hem klaar was, kwam een andere man binnen die Osama begroette met een diepe buiging. Hij stelde zich voor als Hamo en bleek verantwoordelijk te zijn voor de kledij, de haarsnit, het parfum, de sieraden en het algemene voorkomen van zijn heer. Hamo overlegde kort met Skev: zij wisselden ongegeneerd allerhande opmerkingen uit over het lichaam van hun meester, eerlijk en in gevatte, treffende bewoordingen. Zij prezen het heldere, fiere blauw van zijn ogen en de scherpe lijnen van zijn gezicht, merkten minstens vijftien keer op dat een of andere plaats een onmannelijk tekort aan spieren vertoonde, geraakten het eens over wat er met zijn haar diende te gebeuren, zagen aan zijn voeten dat hij ooit hardloper was geweest, en becommentarieerden uitvoerig grootte en vorm van zijn geslachtsdeel.
Hamo kapte zijn haar steil achterover, besprenkelde hem met een parfum dat het ergens tussen fris en zoet hield, en voorzag hem van onderkledij die naar Osama’s gevoel meer losse doeken dan echt ondergoed was. Toen kwam zijn arts, een tengere oude man met bril die naar de naam Won Mewat luisterde. Hij bood zijn heer onderdanig zijn diensten aan, verzekerde Osama met middeleeuws klinkende referenties van zijn kwaliteiten en vroeg of de heer meteen al enig gebruik voor hem had. Heer Osama stuurde hem zo snel mogelijk weg – hij genoot ten volle van zijn onverklaarbare promotie tot sultan of iets dergelijks in dit afterlife, maar had nog steeds een hekel aan kruiperigheid.
Tenslotte werden twee vrouwen tot bij hem gebracht die hem onder Hamo’s instructies verder kleedden in een licht, geelachtig gewaad. Zij heetten Ila en Semba en bleken een soort kamerdiensters te zijn die hij ten allen tijde kon roepen voor om het even wat, en leken voorts ook onder het gezag van verscheidene hoger geplaatste dienaren te vallen.
Hamo zelf beëindigde het lange werk – twee uur op zijn minst – met enkele juwelen : gouden oorbellen en een fijne gouden armband met onleesbare inscripties. Hamo had nog maar net aangekondigd met de oefenmeester, Morne Sesser, een trainingsschema op te stellen om Osama’s conditie en ‘lichamelijke viriliteit’, zoals hij dat noemde, weer op peil te brengen, toen Obi Peléonaro binnenkwam om hem naar het gele salon te leiden, waar versnaperingen, vruchtenlikeur en de nieuwsgierige leden van zijn harem op hem wachtten.
GEEI
Ze was adembenemend. Haar schoonheid was zo sprankelend, zo betoverend, zo sensueel en zo prikkelend dat Osama’s hart vanuit stilstand naar vijfde versnelling sprong; zijn ogen sperden zich wijd open en zijn verbeelding staakte haar bezigheden : aan deze wonderlijke, verrukkelijke vrouw kon zij niets toevoegen.
Zij knielde gezwind voor hem neer en keek hem met grote, donkere, goudbruine ogen aan.
‘Gegroet, heer. Ik word u aangeboden als eerste vrouw. Wenst u mij in aanmerking te nemen?’ Ze keek hem open en verwachtend aan.
Osama knikte snel; een brok in zijn keel belette hem het spreken. Het meisje haalde opgelucht adem, haar slanke handen en fijne schouders trilden een heel klein beetje.
De rest van de dag onderging Osama in een dromerige toestand. Meer vrouwen kwamen het vertrek binnen, kwamen hem groeten en wachtten op zijn goedkeuring. Spoedig werden er ook muziekinstrumenten binnengebracht en begon een sensuele dans van wervelende lichamen en afgeworpen sluiers waarvan Osama de rest van zijn dood zou blijven dromen. Kruidige versnaperingen werden hem aangeboden op zilveren dienbladen en het vertier ging eindeloos door : zoet walmende olielampen werden aangestoken zodra de laatste roodgouden zonneglans vergleed in schemer en schaduw.
Osama dun Jaran genoot van muziek en dans, van pittige spijzen en overvloedige kruidenwijn en gebaarde pas dat het feest was afgelopen toen zijn ogen ondanks het fascinerende schouwspel niet langer open wilden blijven en de vormelijke conversaties met zijn dienaren hem te vermoeiend waren geworden. Uitgeput liet hij zich van de ene droom in de andere leiden.
EEJI
De volgende dag begon onaangenaam vroeg : Morne Sesser, de oefenmeester van Osama dun Jaran, meende dat een effectieve training niet later kon beginnen dan zonsopgang, en dus had Osama zich bij het krieken van de dag al in het zweet gewerkt. Hardlopen, zwemmen, gewichtheffen en allerhande spierversterkende oefeningen moest hij doorstaan, twee uur aan een stuk. Toen hij zich bij Skev aanbood om te baden alvorens het ontbijt te gebruiken, knikte die goedkeurend : zijn heer was gezegend met een voortreffelijk oefenmeester, meende Skev, en genoot ongetwijfeld van deze dagelijkse oefensessie.
Dagelijks? Osama wanhoopte bij het idee nogmaals zo’n beproeving te moeten overleven, maar het bad en de massage die Skev hem gaf verkwikten hem en het ontbijt, waarvan hij alleen genoot in een zonnig en kruidig hoekje van de tuin, bracht zijn humeur definitief weer op het goede spoor.
Die dag inspecteerde Osama zijn wacht - hij was erg onder de indruk van hun blikkerende uitrustingen, hellebaarden en kromzwaarden - en maakte hij een zonnige wandeling met zijn eerste vrouw, wat eindigde met veel gerollebol in een weiland vol witte bloemen. Verder genoot hij van de wildschotels die als avondeten werden opgediend en bezocht hij tegen het vallen van de avond zijn stallen, waar een grote zwarte volbloedhengst onmiddellijk bij hem in de smaak viel.
Na het rijden besloot hij zijn bibliotheek eens te bekijken en hij riep Ila, een van zijn kamerdienaressen, en droeg haar op hem naar de bibliothecaris te brengen. Zij bracht hem naar een kamer in de westelijke vleugel van het paleis. Osama klopte en ging binnen.
Hij was een beetje verrast. Achter een reusachtig eikehouten bureau, bezaaid met stapels manuscripten en allerlei paperassen, zat een jonge vrouw. Niet dat Osama een probleem had met vrouwen, verre van, maar hij had de indruk opgedaan dat in dit paradijs alle belangrijke dingen door mannen gedaan werden, en een bibliothecaresse was daarom een verrassing.
Ze keek hem geamuseerd aan : een fijn lachje speelde om haar lippen.
‘Gegroet, mijn heer,’ zei ze welgevallig, maar haar stem leek niet helemaal vrij van spot. ‘Het heeft u behaagd mijn gezelschap op te zoeken. Sisha Oreskovich is mijn naam. Waarmee kan ik u helpen?’
Ze stond recht en kwam naar hem toe. Haar lenige, katachtige passen hadden een andere vrouw voor hem misschien verleidelijk doen lijken, maar zij was, ondanks haar lange, slanke lijn en haar gracieuze soepelheid, niet mooi naar zijn normen ; haar gezicht had een asymmetrie die zijn ogen elk rustpunt ontzegde, de kracht, de persoonlijkheid die in haar ogen fonkelde was zo fel dat ze Osama wat intimideerde. Haar zwarte haren, die ze halflang en frivool droeg, leken van geen enkele kapperskunst onder de indruk en zwiepten ongegeneerd alle kanten op. Osama voelde onmiddellijk zowel ontzag als diepgaande fascinatie voor haar.
Toen ze eindelijk voor hem stond, beving een hevige duizeling hem, en na een heel kort gesprek ontvluchtte hij met een flauwe smoes haar werkkamer.
EEJ"
De volgende dagen en weken brachten Osama de overtuiging bij dat het leven er een stuk beter op wordt wanneer je eenmaal dood bent. Zijn ochtendlijke oefensessies gingen hem al snel veel beter af en na een week of twee trainen voelde hij zich fit als nooit tevoren. Skev en Morne Sesser prezen zijn inspanningen en al spoedig begon Sesser hem te bekwamen in het gevecht met speer en kromzwaard.
Wanneer hij niet aan het oefenen was, ging Osama paardrijden of maakte hij wandelingen door de uitgestrekte velden rond zijn paleis. Hij legde zich toe op elk bordspel dat zijn dienaars hem konden leren en las zo nu en dan een boek. Hij beleefde heel wat zoete en hartstochtelijke uurtjes met de lieftallige schoonheden van zijn harem en ontwikkelde zowat elke dag een nieuwe crush voor een andere vrouw, maar bracht veel tijd door met zijn eerste vrouw. Verder vermaakte Osama dun Jaran zich met de dansen en de schouwspelen die zijn dienaars voor hem opvoerden, luisterde hij naar hun muziek, organiseerde hij minstens om de drie dagen een uitgebreid feestmaal of voerde hij gesprekken met de meest ontwikkelden van zijn onderdanen. Eén keer werd er een jacht georganiseerd, en bij die gelegenheid velde Osama een beer, hetgeen hem een flink eind in aanzien deed stijgen.
Godsdienstkwesties ging hij zoveel mogelijk uit de weg, en hij was als heerser geliefd genoeg dat men hem dit gebrek aan godsvrezendheid niet erg kwalijk nam. Hij bleef erg geïntrigeerd door zijn bibliothecaris, Sisha. Hij praatte een aantal keer met haar en speelde enkele gezelschapsspelen tegen haar (dan verloor hij steevast; zij bleek een duivels gewiekste en intelligente speelster te zijn), maar telkens hij haar wilde vragen wie ze eigenlijk was en waarin ze verschilde van zijn andere dienaren, hoe omzichtig hij ook probeerde, telkens veranderde ze glad als een aal van onderwerp.
Sisha bleef een onopgelost raadsel. Maar verspreid over die eerste weken gebeurden er nog enkele opmerkelijke voorvallen die Osama enigszins uit zijn feestroes haalden en zijn instincten deden ontwaken : wees op je hoede!
EJI"
Nadat hij de tweede keer bij Sisha was geweest, wachtte Obi Peléonaro hem op in zijn persoonlijke vertrekken, hetgeen erg ongewoon was. De toegewijde dienaar was duidelijk beklemd door angst, en smeekte Osama vele malen hem te vergeven. Het duurde enige tijd voor hij voldoende bedaard was opdat Osama hem kon vragen wat er te vergeven viel.
‘Het is uw bibliothecaris en schrijver, heer dun Jaran,’ jammerde Obi Peléonaro. ‘Wij werden slechts kort van tevoren op de hoogte gebracht van uw komst, en er was niemand anders te vinden. Het is een ramp! Wees uw dienaar genadig, heer, ik had geen keus!’
Osama verzekerde hem uitvoerig dat hij zeer tevreden was van zijn bibliothecaris - zij was zo bekwaam en intelligent als men maar kan wensen. De eerste dienaar leek dit niet te kunnen geloven, maar was gerustgesteld.
Het tweede incident kwam al even onverwacht. Osama had een fantastische nacht doorgebracht met een zwartharig, fijngebouwd meisje uit zijn harem en toen hij haar de volgende morgen bedankte voor al het plezier dat ze hadden beleefd, maakte hij een grapje over hoe zij als maagd zo heerlijk de liefde had leren bedrijven. Op slag verkilde haar stemming, een rode blos kleurde haar wangen, en koud vertelde ze hem ‘dat ze als maagd voor deze betrekking was aangeworven en haar verleden had daar niets mee te maken’. Osama begreep dat niet : ofwel ben je nog maagd ofwel niet, en die stap kan je maar één keer zetten, vond hij. Waarop zij repliceerde dat ze als maagd naar hem was gekomen en dat haar vroegere leven haar eigen zaak was.
Toen hij dit aan Sisha vertelde, verbouwereerd als hij was, lachte ze hem smakelijk uit.
‘Groot gelijk heeft ze,’ proestte Sisha het uit. ‘Een beetje emancipatie kunnen ze hier wel gebruiken. En geef toe, een mens heeft toch recht op wat privacy?’ Die woorden, privacy en emancipatie, klonken zo buitenaards in zijn nieuwe paradijs dat Osama zich meer dan ooit ging afvragen welk verleden Sisha met zich meedroeg.
‘Ik kan begrijpen dat je mannelijk ego deze schok niet te boven komt,’ vervolgde Sisha en nogmaals lachte ze om hem, maar ze nam niet de moeite om haar toespelingen te verduidelijken. Osama had er al lang spijt van dat hij haar zijn ervaringen had toevertrouwd en ontweek haar enkele dagen.
Een maand na zijn intrede in het paleis werd het Osama dun Jaran definitief duidelijk dat er iets niet in de haak was. Osama was ondertussen erg goed geworden in het zwaardvechten en Morne Sesser opperde dat het tijd werd dat zijn heer eens zou deelnemen aan een echte strijd. Dit voorstel werd op veel gejuich onthaald bij de schildwachten (die een beurtrol hadden om met hun heer te duelleren en steeds met z’n allen supporterden, aangezien er voor hen verder toch weinig werk was). Enthousiast werd Obi Peléonaro erbijgehaald en kreeg die te horen dat hij snel een veldslag of op zijn minst een stevige schermutseling diende te organiseren.
De eerste dienaar schrok zich een hoedje. Hij stond erop onder vier ogen met zijn heer te overleggen.
‘U moet begrijpen, heer,’ fluisterde Obi Osama in het oor toen ze eenmaal alleen waren, ‘dat deze afdeling maar heel weinig nieuwelingen meer krijgt. In feite bent u de eerste in zeer vele jaren, en er zijn maar heel weinig voorzieningen beschikbaar. Eten en drinken zijn geen probleem, maar vijanden om te bevechten … We zitten hier al tijden zonder kruisvaarders, hoewel de voorraden vroeger onuitputtelijk leken. Ik heb er al om verzocht, maar de hogere instanties melden mij dat er geen verkrijgbaar zijn, en dat voor onbepaalde duur. De enige manier lijkt mij dat u uw persoonlijke privileges laat gelden, heer dun Jaran.’
‘Mijn persoonlijke privileges?’ Osama was zich er niet van bewust dat hij over persoonlijke privileges beschikte - afgezien van een paleis, onuitputtelijke feestmalen, trouwe dienaren en zevenenzeventig maagden.
‘U kan zich rechtstreeks tot de instanties wenden, mijn heer, en uw verzoek overmaken. Het is niet geheel zeker, maar het lijkt mij dat zij wel aan uw wens gehoor zouden geven.’
Dus begaf Osama zich op Obi’s instructies naar de spreekkamer, een groot, kaal vertrek zonder ramen waarvan één wand geheel reflecterend was. Hij sprak een geijkte incantatieformule uit en als bij toverslag verscheen een beeld in de spiegel dat Osama aan Aladdin deed denken.
‘Waarmee kan ik u helpen?’ vroeg de geest uiterst beleefd.
Osama legde uit dat hij een beroep wilde doen op zijn privileges als heerser van het paleis om een veldslag te voeren en dat hij hoopte daarvoor genoeg vijanden toegewezen te krijgen.
‘Een ogenblik,’ vroeg de geest. Het beeld flikkerde enkele seconden aan en uit, en dan was de gestalte in de spiegel er weer.
‘Ik moet vaststellen,’ sprak de geest langzaam en met onverholen achterdocht, ‘dat u over geen enkel privilege beschikt, heer dun Jaran. In feite bent u niet eens correct geregistreerd bij de juiste instanties. Het blijkt dat u hier geplaatst bent door een christelijke instantie. Bij die instantie zal u dan ook moeten navragen welke privileges u kunt laten gelden. Wij hebben jegens u geen enkele geregistreerde verplichting.’ De geest bekeek Osama enkele hartslagen lang alsof hij een vies maar fascinerend insect was, om dan onaangekondigd te verdwijnen.
Ondertussen vermoedde Osama achter zijn lieflijke paradijsje een gigantische bureaucratie en tal van ‘hogere instanties’ waarmee hij liefst zo weinig mogelijk zaken had. Maar hij besloot toch het eens te proberen bij een ‘Christelijke instantie’ - hij was tenslotte door een engel hierheen gebracht. Dus paste Osama de incantatie een beetje aan en deed zijn best om een engel, of een christelijke geest, of wat dan ook in zijn spiegel te bezweren.
Plots sputterden de fakkels die het vertrek verlichtten en kroop er dikke rook doorheen de kamer. Osama hoorde iemand hoesten en vloeken - ‘Gadver! Wat een smeerlapperij!’ - en toen leek de spiegelende wand heen en weer te golven en leek het alsof iemand zich doorheen de muur wrong. Al snel bevrijdde een kleine engel zich mopperend uit de spiegel. Haar haar was bezaaid met glitterende stukjes glas, splintertjes zo fijn dat het wel sneeuwkristallen leken, en toen de muur met een luide klik weer in zijn normale vorm terugsprong, bleek er inderdaad een gat in te zitten. De engel veegde verontwaardigd het glas uit haar haar alsof het een of andere naamloze, stinkende smurrie was - met fijne tinkelende geluiden regenden de splinters naar beneden en vormden een blinkend, vlijmscherp tapijt rondom de engel.
Toen snoof ze diep en haar verontwaardiging maakte plaats voor behoedzaamheid. Had ze geroken dat ze zich hier buiten de Christelijke gebieden bevond?
‘Meneer, u heeft mij hierheen geroepen. U moet mij vertellen waarvoor u een beroep doet op mijn diensten,’ vroeg ze.
‘Ik wilde graag een veldslag organiseren,’ sprak Osama moedeloos. Zijn zin om te gaan vechten was allang bekoeld, maar hij kon nu niet meer opgeven. ‘Maar mijn eerste dienaar krijgt geen tegenstanders toegewezen, en suggereerde dat ik mijn privileges kan laten gelden. Mijn naam is Osama dun Jaran.’
‘Osama dun Jaran?’ Een diepe rimpel ontsierde het gefronste gezicht van de engel. ‘U staat helemaal niet op de Gelukzalige Lijst. Dit is zeer merkwaardig. Ik zal het volledige Register moeten bekijken om te zien waar u thuishoort.’
‘Zal dat lang duren?’ vroeg Osama ongelukkig. Deze bureaucratische ervaringen maakten hem erg moedeloos. Uw dood is helaas niet zo goed verlopen, meneer dun Jaran. Hij hoopte maar dat er niets grondig mis was.
‘Lang duren?!’ gromde de engel. ‘Ik moet de namen van alle mensen die ooit geleefd hebben, overlopen en plaatsen in de Lijsten. Dat zijn er tweehonderd zevenendertig miljard negenhonderd drieëntwintig miljoen zevenhonderd vijfennegentig duizend vijftien. Heeft u enkele minuten de tijd?’
‘Ja hoor,’ stemde Osama zo onderdanig mogelijk toe.
Twee minuten en zevenendertig seconden later sloeg de rampspoed toe. De engel keek Osama aan en zei :
‘U heeft nog vijfendertig jaar uitstaan in het Vagevuur, Osama dun Jaran, u hoort hier niet thuis,’
en op hetzelfde moment opende Sisha de deur van de spreekkamer. De engel zag haar en haar mond viel open.
‘U staat op de Hoogdringende Lijst van Onzaligheid!’ siste ze ontzet. ‘Dit - ik zie mij genoodzaakt u van uw vrijheid te beroven!’.
Maar voor ze twee stappen had gezet in de richting van de bibliothecaresse, opende Sisha haar handen in een kronkelend gebaar en wierp zich naar de engel toe. Die werd door een onzichtbare kracht tegen de spiegel geworpen en erin opgezogen, waarna de hele spiegelmuur vergruisde en in een regen van scherven naar beneden kwam.
Toen richtte Sisha zich tot Osama.
‘Idioot!’ schreeuwde ze. Met een furieuze klap sloeg ze hem buiten westen. Het werd Osama zwart voor de ogen en hij zonk meteen weg in kwellende dromen.
"JIJ
‘Het is maar wat oppervlakkige schade, het ziet er niet al te erg uit,’ hoorde Osama zeggen. De stem knarste alsof ze door slecht geoliede machinerie werd voortgebracht, en daaraan herkende Osama zijn lijfarts Won Mewat. Moeizaam opende hij zijn ogen en zag hoe de oude man over hem heengebogen stond. Om een voor Osama niet te vatten reden had de arts zijn oor op Osama’s buik gelegd en luisterde hij intens.
Obi Peléonaro slaakte een vreugdevolle kreet toen hij het halfverblinde knipperen van Osama’s oogleden opmerkte.
‘Hij leeft!’ zuchtte hij opgelucht, meer dramatiek opvoerend dan redelijk was gezien de erg bescheiden verwondingen aan het gelaat van zijn heer.
‘’t Is een godsgeschenk dat hij zo licht gevallen is, heren,’ sprak een strenge stem - Sisha!
‘Ik heb al meermaals gezegd dat de trappen in de zuidelijke vleugel veel te spaarzaam verlicht worden. Dat is vragen om ongelukken.’
‘U heeft gelijk, vrouwe,’ gaf de eerste dienaar met enige tegenzin toe. ‘Het is een groot geluk voor ons allen dat u daar was en hem kon opvangen.’
Mij opvangen? dacht Osama verbaasd. Nog licht ijlend vroeg hij zich af of het mogelijk was om dood te gaan in het paradijs. Zou dat geen contractbreuk zijn? Op aarde beloofde men je toch het eeuwige leven? Al had Osama zich nooit aandachtig genoeg met godsdienst beziggehouden om op de hoogte te zijn van wat er in de kleine lettertjes van dat contract geschreven stond.
‘En nu heeft onze heer dun Jaran, God beware hem, ongetwijfeld rust nodig om te herstellen,’ dicteerde Sisha met vaste stem.
‘Zeker. Uiteraard!’ verklaarde Won Mewat. ‘Het zal hem vele dagen kosten om zijn oude kracht te hervinden. Wij moeten hem zoveel mogelijk in afzondering laten sluimeren zodat hij spoedig kunne herstellen.’
‘Goed,’ stemde Sisha in. ‘Ik zal hem nog enige tijd voorlezen uit één van zijn favoriete verhalen, zodat hij met een klaar en gerust gemoed moge inslapen.’
Ze haalde een boek tevoorschijn dat in één van de plooien van haar kleed verborgen was gebleven. De twee mannen, die geen van beiden konden lezen (hoewel hun olifantengeheugen toereikend was om een hele encyclopedie letter per letter te onthouden), knikten goedkeurend en haastten zich het vertrek uit.
‘Ze voelen zich nooit op hun gemak met mij erbij,’ merkte Sisha op toen de echo’s van hun voetstappen waren uitgestorven. Toen keek ze Osama streng aan.
‘Kom, sta op!’ beval ze. Osama kreunde en bleef liggen.
‘Ik ben zojuist van een trap gevallen,’ protesteerde hij zwakjes.
De jonge vrouw snoof dreigend. ‘Je bent nergens afgevallen, Osama. Je hebt een welverdiende klap in je gezicht gekregen nadat je de grootste stommiteit hebt begaan in de geschiedenis van de mensheid.’
Osama ging rechtop zitten en merkte dat hij afgezien van een doffe hoofdpijn prima in orde was.
‘Wat is de Hoogdringende Lijst van Onzaligheid en waarom sta jij erop?’ vroeg hij.
Sisha zuchtte. ‘Het betekent dat ik door de Hemel gezocht wordt - de Christelijke Hemel, let wel, niet het godverlaten heidense gat waar we nu zitten - omdat ze besloten hebben dat ik een onvergeeflijke misdaad heb begaan. Als ze mij vinden, kan ik slechts het allerergste vrezen.’
‘En dankzij mij weten ze nu waar je bent,’ vervolgde Osama schuchter, bang om opnieuw in de klappen te delen.
‘Inderdaad,’ zuchtte Sisha. ‘Ik begrijp niet hoe je zo stom kon zijn om de Autoriteiten op te roepen. Ik bedoel maar, je bent een christen en je hebt waarschijnlijk heel wat misdaan tijdens je aardse leven - vijfendertig jaar Vagevuur, alsjeblief! De Hemel is voor vrome, goede, oprechte mensen - en dit is is een heidens paradijs, Jezus Christus! Je moet toch onmiddellijk geweten hebben dat je hier niet thuishoort, dat er ergens een grove fout is gemaakt?!’
Osama knikte schaapachtig. Hij had daar inderdaad veel te weinig over nagedacht.
‘Dit is een soort middeleeuws moslimparadijs,’ legde Sisha uit. ‘Je bent vast de eerste klant in een half millenium! Ik wist niet wat ik hoorde : een nieuwe site in zone V! Een buitenkansje voor mij, maar ik was niet zorgvuldig genoeg : had ik geweten dat ze er een christen zouden insteken, dan was ik wel meer op mijn hoede geweest.’
‘Goed, Sisha. Ik denk dat we beter kunnen nadenken over wat we nu moeten doen. Wat stel je voor? Vluchten of onszelf uitleveren aan de Hemel?’ vroeg Osama.
‘Vluchten natuurlijk. Je gaat liever naar de Hel dan dat ze je nu oppakken, geloof me maar,’ sprak ze stoer, maar ze maakte toch gauw een kruis.
‘Waarheen kunnen we gaan, en hoeveel tijd hebben we?’ vroeg Osama verder.
‘Wat de tijd betreft : ik zou zeggen een dag of twee. De systemen zijn allemaal overbelast en ze zullen een operatie buiten de Christelijke dimensies heel grondig willen voorbereiden. Bovendien heb ik hun enige directe toegangsweg daarstraks vernietigd. Ook de stroming van de lokale tijd is in ons voordeel. Minimum zesendertig uur. En waarheen? We zitten hier in de buitenste regionen van de Islamitische gebieden. Dat betekent dat we minstens zo mobiel zijn als zij, want ze zullen hier uiterst voorzichtig moeten optreden. We zouden meer naar binnen kunnen reizen. Dan verliezen we onze achtervolgers zeker, maar we zullen zelf heel snel gevat worden. Ik denk dat we doorheen de periferie van dit paradijs moeten reizen en heel, heel waakzaam zijn. Als we eenmaal ver genoeg geraakt zijn, moeten we een Sprong wagen. Riskant, maar haalbaar.’
‘Wat is een sprong?’
‘Tunnelen van één paradijs naar een ander. We zouden de Olympos kunnen proberen. Vol onverwachte verrassingen, maar de goden zijn er vrij stom. Wat ben je van opleiding?’
‘Theoretisch wiskundige,’ antwoordde Osama moedeloos.
‘Perfect! Dan kan je me helpen met de berekeningen,’ verklaarde Sisha enthousiast.
Dan zijn die vier jaar studeren toch niet voor niks geweest, dacht Osama.
‘Dit komt allemaal veel te vroeg,’ mompelde Sisha. Een deel van haar dadendrang had plaatsgemaakt voor moedeloosheid. ‘Ik was nog volop bezig met voorbereidingen : kennis van de omgeving opdoen, privileges vergaren, … Nog een paar weken en ik had hier kunnen weggaan zonder dat zelfs de Kijkers me hadden kunnen opsporen.’
‘De Kijkers?’
‘God wordt gediend door vele engelen. De Kijkers zijn als het ware de zintuigen van de goddelijke hemelscharen. Zij schouwen de werkelijkheid en bezingen haar. Op dat lied kunnen andere engelen inpikken om te leren of het te veranderen.’
‘Ah. En ze zijn goed, deze Kijkers.’
‘Alles is goed in de Hemel, Osama dun Jaran. God is de kunstenaar onder de goden, en zijn engelen zijn wonderlijke wezens. Weet je echt niets van die zaken?’
‘Nee. Het spijt me.’
‘Er zijn de Zangers. Zij baden in de glorie Gods, van alle engelen staan zij het dichtst bij het goddelijke. Zij weven de melodie van de werkelijkheid in hun gezangen. Daarmee controleren ze de belangrijkste stromen van de tijd, van levens- en spirituele kracht, … Zij zijn als het ware één met God en zingen Zijn glorie en Zijn wil uit naar de werkelijkheid.
‘Daarnaast zijn er de Denkers en Sprekers, twee klassen van engelen die eveneens in rechtstreeks contact staan met het goddelijke. De Denkers zijn het meest intelligente organisme in de werkelijkheid. Zij vormen een soort arkaan netwerk dat analyseert, hoewel hun denkwerk eerder een soort van dromen gelijkt. De Sprekers communiceren dan weer de goddelijke wil naar de werkelijkheid, op een meer directe manier dan de liederen van de Zangers. Zij zijn de herauten van God, als je wil. In tegenstelling tot de meeste Denkers en Zangers begeven ze zich ook geregeld buiten de binnenste regionen van de Hemel. Ze hebben zeer veel privileges, toverkrachten als het ware, en ze kunnen SPREKEN, mocht je ooit Terry Pratchett gelezen hebben.
‘Er zijn ook heel wat engelen die veel minder rechtstreeks in contact staan met God en het allerheiligste centrum van de Hemel. Er zijn de Kijkers, maar ook de Wachters, die de doden opwachten en hen naar hun bestemming leiden, en de Werkers, die allerlei praktische zaken en organisatorische kwesties regelen : ontwerpen, bouwen, oorlogvoeren, onderhoud, administratie, …’
‘Oorlogvoeren in de Hemel?’ Osama was verbaasd.
‘Zegt de val van Lucifer je niks? En ben je de Zondvloed vergeten? Of die steden die God in het Oude Testament van de kaart veegde? Wees er maar zeker van dat daar Werkers bij betrokken waren.’
‘Dus het is allemaal waar wat er in de Bijbel staat?’
‘Hoe kun je daar nu nog aan twijfelen? Je hebt al zoveel zelf gezien. Nu, je hebt wel gelijk : het is allemaal heel wat anders dan je zou denken na de Bijbel gelezen te hebben.’
‘Ja, en in de Bijbel staat ook niks over heidense paradijzen als het deze.’
‘Dat klopt. Er zijn nu eenmaal meerdere goden, dat valt niet te ontkennen. Al blijf ik erbij dat geen ervan vergelijkbaar is met God.’
‘Is er veel wrijving tussen die goden?’
‘Er is zeker wrijving, maar veel weet ik daar niet over te vertellen. Bid maar dat we niet in politiek vaarwater komen, want dan is het gedaan met ons.’
Osama huiverde. Dood zijn werd met de minuut ingewikkelder.
‘Hebben we nu trouwens alle soorten engelen gehad?’
‘Er zijn nog Herders ook,’ vulde Sisha aan. ‘Dat zijn diegenen die het veldwerk op aarde verrichten. Van nog andere klassen heb ik geen weet.’
‘En wat bedoel je eigenlijk met de “werkelijkheid”?’
‘Alles. De aarde, alle paradijzen, de Hel.’
‘Het Vagevuur?’
‘Da’s iets typisch christelijk. Daar moeten branden betekent eigenlijk : het lijden doormaken dat je anderen berokkend hebt tijdens je leven.’
Sisha zweeg even.
‘Vijfendertig jaar is niet mis,’ zei ze zacht.
Osama zweeg en wendde zijn blik af.
‘En de Hel?’ vroeg hij toen. Het spreken met hoofdletters begon hem beter af te gaan.
‘Ik zou het niet weten,’ antwoordde Sisha scherp. ‘Ik ben daar nooit geweest.’
‘Op de Hoogdringende Lijst van Onzaligheden staan kan ook niet niks zijn,’ merkte Osama wat nijdig op. Hij vond het kinderachtig van zichzelf maar kon het niet laten.
‘Er is geen tijd om over zulke dingen te kibbelen,’ beet Sisha terug. ‘Geen flauwekul meer. We moeten voorbereid zijn om morgen tegen de avond te vertrekken. Ten laatste.’
JJIE
Het was laat; diezelfde avond vloeide stilletjes aan over in de volgende morgen. De duisternis was al lang gevallen. Er was geen maan maar de nachtelijke hemel was bezaaid met duizenden sterren en het was aangenaam koel - een prachtige nacht, elk paradijs waardig. Osama had de nodige voorbereidingen getroffen om op de vlucht te slaan : proviand gestolen uit zijn eigen provisiekamers, geschikte kledij uitgezocht, zijn kromzwaard gescherpt en zijn gedachten geordend. Vele vragen over de hemel en de paradijzen bleven onbeantwoord, maar hij had nu al genoeg geleerd voor één dag. Hij wilde nog een laatste keer op zijn zwarte ros over de velden draven voor hij ging slapen. Slapen is belangrijk, had Sisha gezegd : het zou kunnen dat we het lang zonder moeten doen. Osama geeuwde.
Hij was een mijl of twee van zijn paleis weggereden toen plots een bomenrij pal voor hem in tweeën scheurde. Er ontstond een gapend zwart gat in de ruimte, trotse populieren werden aan weerszijden opzij geworpen en hun stammen splinterden krakend uiteen. Het gat vulde zich met licht als bij een explosie zonder geluid; toen braakte het met een schriekend, door merg en been gaand gekrijs een grote bal van flakkerend vuur uit en klapte onverbiddelijk weer dicht, slechts zwarte nachtlucht achterlatend.
Osama’s paard had zijn berijder al snel afgeworpen en rende voor zijn leven. Heer dun Jaran kwam met een smak op de vochtige grond terecht, maar adrenaline hield hem bij bewustzijn, hoewel felle steken van pijn hem kwelden bij elke beweging van zijn ledematen. Toch krabbelde hij bliksemsnel een flink eind van de nagloeiende en sissende vuurbal vandaan. Stilaan zakte die als een pudding in elkaar, en tegen de tijd dat Osama weer min of meer normaal kon gaan, waren ook de laatste vuurtongen zo goed als uitgedoofd.
Toen zag Osama dat er een gedaante op de grond lag, pal waar het centrum van de laaiende massa was geweest. Hij slaakte een halfgesmoorde kreet en stormde erop af. Inderdaad, hij trof een zielig, rochelend hoopje ellende aan : het leek een engel geweest te zijn, maar het wezen was praktisch geheel verkoold door het vuur. Het zag er zo miserabel uit dat Osama schrok toen de stervende engel hem aansprak:
‘Meneer, u … u moet naar mij luisteren.’
Osama maakte een veldfles los van zijn gordel en trachtte de engel enkele slokken water te laten drinken, maar die schudde - met veel moeite maar beslist - het hoofd.
‘Het LOGOS is in gevaar. De Anderen … Zij hebben … Het is - het Cor- ’ maar de rest van de zin ging verloren in een pijnlijk gehoest, dat snel op een doodsreutel ging lijken.
‘U moet … Alleen de Tweede Instantie mag weten...’
Plots kwam de engel recht en greep met verbijsterende kracht Osama’s hand vast. ‘Vlucht nu!’ fluisterde het stervende wezen schor. Toen viel het weer tegen de grond, schokte nog een keer na en bleef toen levenloos. Zijn ogen keken op naar de hemel maar waren gevuld met wanhoop.
Bang tot in het diepst van zijn wezen wrikte Osama zich los uit de greep van het dode hemelwezen - het had iets in zijn hand gedrukt - en rende met bonzend hart terug naar zijn paleis alsof de dood hem op de hielen zat.
""EE
Sisha was in paniek. Ze had Osama al drie keer laten vertellen wat er gebeurd was, en elke keer werd de blik in haar ogen verschrikter, trok de kleur in haar gezicht verder weg.
‘Ik begrijp dit niet, Osama,’ fluisterde ze, ‘maar er is iets verschrikkelijks gebeurd vannacht, en wel op de drempel van ons huis.’
Bruusk stond ze op uit bed - Osama had haar gewekt uit een diepe slaap. Mijn god, dacht hij, haar nachtkleed laat al helemaal niets aan de verbeelding over.
‘Wat heb je daar in je handen?’ vroeg ze scherp. Osama keerde met een schok terug uit aangenamer gedachten.
‘Ach, ik geloof dat de engel mij iets in de handen drukte voor hij stierf. Hier, neem het maar.’
Ze maakte aanstalten om het voorwerp van hem over te nemen - het was een soort broche met temidden van zilveren versiersels een dieprode globe gevat, zo groot als een oog en gevuld met nevelige wolken en schemerig rood licht - maar trok als gebeten haar hand terug toen ze zag wat Osama haar aanreikte.
Ze sloeg een kruis en huiverde. ‘Nee, houd het. Osama, we moeten vluchten. Nu meteen, zonder oponthoud!’
‘Sisha, ik begrijp er niets van!’
Ze keek hem doordringend aan. ‘Degene die vannacht gestorven is, was een heel machtige en invloedrijke engel, Osama, en al doorgronden wij het niet, hij droeg een verschrikkelijk geheim.’
Ze gooide het raam open en klom erdoor.
‘En het eten en onze uitrusting?!’ protesteerde Osama dun Jaran.
‘Geen tijd,’ weigerde ze kort. Haar toon liet geen ruimte voor nog meer discussie.
Ze spurtten naar de plek waar het weefsel van de ruimte was gescheurd om de engel erdoor te laten. Sisha bekeek het lijk van de engel kort en brandde het op met een enkele knip van haar vingers - blauw vuur spoot uit de aarde, likte aan het gehavende korps en verteerde het voor Osama’s bange hart vijf keer geslagen had. De bibliothecaresse wenkte met haar hand en ook het hele bos voor hen vloog in lichterlaaie, en striemend vuur woelde de aarde om waar even tevoren nog een hemeldienaar was gestorven.
Je kan dus sterven in het paradijs, bedacht Osama ongelukkig.
‘Ik wis zijn en onze sporen uit,’ verklaarde Sisha. ‘Zo ontdekken ze misschien niet dat hij dood is. Het vermoeit me erg, maar deze wilde uitbarsting van toverij brengt hen misschien lang genoeg in de war om ons te redden.’ Ze balde haar hand weer samen tot een vuist en het vuur doofde even plots als wanneer iemand een kaarsvlam uitknijpt tussen haar vingertoppen. Een dode woestenij van smeulende as en verkoolde stammen, spookachtig in het weinige licht van de maanloze nacht, lag voor hen.
Nog geen hartslag later weerklonk een luid gedonder en pal boven het kasteel scheurde de hemel open. Fel wit licht, glorieus stralend, leek klaar om eruit te stromen en het nachtelijke duister op te slokken. Maar toen opende zich iets lager, op de grootste toren van het kasteel, een tweede barst in het weefsel van de ruimte, scheurde door tot aan het eerste, met licht gevulde gat en spleet het, fragmenteerde het zuiverwitte licht als brekend glas. Het hield op in de nacht uit te vloeien, trachtte zich langsheen de barsten te wringen. Schuddend als iets dat uit zijn voegen dreigt te barsten, vocht het licht tegen het spinneweb van ragfijne donkere lijnen dat zich alsmaar fijner rondom het felle schijnsel kronkelde.
Een kleine, goudstralende gedaante verscheen op de spits van de toren van het kasteel, één hand hemelwaarts geheven.
DOOF! galmde doorheen Osama’s paradijs, resoneerde in de lucht, de aarde, liet de muren van zijn paleis beven op hun fundamenten en brak het witte licht in duizend stukken. De nacht was weer duister.
‘Mijn God!’ fluisterde Sisha ontzet. Ze zette het op een lopen, recht van het paleis weg.
!"EP
Drie dagen en drie nachten renden Osama en Sisha. Osama leerde kracht te putten uit zijn ziel en hield zijn bibliothecaresse drie etmalen lang bij, maar niet langer. Tenslotte bezweek hij, viel hij voorover in een ongeziene greppel en bleef liggen waar hij lag. Het duurde enkele uren voor hij genoeg hersteld was om te kunnen praten.
‘Sorry,’ zei Sisha zonder veel emotie, ‘maar het moet nu eenmaal zo. Het was beter geweest als je hierop had kunnen trainen, maar de omstandigheden laten niet toe het rustiger aan te doen.’
Osama knikte. Als hij haar niet had geloofd, was hij al veel vroeger gestopt.
‘Het goede nieuws is dat we ondertussen ver genoeg gevlucht zijn,’ vervolgde de jonge vrouw. ‘Ik denk dat we nu een sprong kunnen wagen. Meer afstand tussen ons en onze achtervolgers zou nuttig zijn, maar we kunnen ons geen tijd meer permitteren om die afstand af te leggen. En lokaal tunnelen zou zeer onverstandig zijn - dan hebben ze ons zo te pakken.’
‘Je bedoelt – je hebt het over dat licht dat die nacht probeerde door te breken?’ vroeg Osama.
‘Diegenen die de engel gedood hebben, zitten ons zeker op de hielen. En dan worden we nog opgespoord door de Hemel om naar het Vagevuur - of de Hel - gebracht te worden. Ik ga er vanuit dat we dus minstens twee vijanden hebben, en ik weet niet welke ik het meest moet vrezen.’
Osama zag daarin geen probleem : hij had vrees genoeg voor twee vijanden, besloot hij. Niemand hoefde zich misdeeld te voelen.
‘Dan nu het Springen,’ zei hij. Hij was er niet weinig trots op dat zijn Hoofdletters ondertussen al beter waren dan die van Sisha. ‘Je had me nodig voor een berekening.’
Ze knikte tevreden.
‘Ik bekijk het als een meetkundig vraagstuk in veel dimensies. Ik hoop dat je goed bent in ruimtemeetkunde en in hoofdrekenen.’
Ook dat stelde Osama niet voor problemen.
‘Goed,’ ging ze verder. ‘Ik denk dat we momenteel zevenenveertig dimensies moeten meenemen, waarvan er zeventien werkelijk belangrijk zijn. Kan je zó goed hoofdrekenen?’
Hoofdrekenen en wiskunde zijn twee heel verschillende dingen.
‘Nooit geprobeerd,’ grijnsde Osama. ‘Er is een eerste keer voor alles.’
Sisha begon haar Springtheorie uit de doeken te doen. Osama luisterde gefascineerd - er kwamen heel wat ingewikkelde concepten en machinerieën aan te pas, waarvan ze er enkele zelf geformuleerd had - en begon al spoedig te rekenen en tekeningen in het zand te maken.
Na een uur of twee afzonderlijk en in stilte gewerkt te hebben, overlegden ze met elkaar. Ze voerden een gesprek waar een voorbijganger geen snars van zou hebben begrepen, maar er waren toch geen voorbijgangers en ze beleefden beiden erg veel plezier aan het delen van hun wiskundige ideeën.
Toen ze het eens waren geraakt over een paar cruciale dingen, zei Sisha dat ze er net zo goed mee konden beginnen. Ze tekende een ingewikkeld patroon van lijnen en sterren in de mulle aarde en sprak een al even gecompliceerde formule uit.
Een nachtzwarte doorgang omgeven door een snel vervagend, diepblauw gewelf ging voor hen open.
‘Stap er-’ begon Sisha, maar voor ze ‘maar in’ kon zeggen, werden ze beiden als door een onzichtbare vloedgolf in het gat gespoeld. Instinctief grepen ze elkaar vast en trachtten ze weerwerk te bieden, maar ze waren al in de leegte tussen de werelden voor ze zich tot staan konden brengen. Maar liefst vijf schemerende poorten zagen ze nu voor zich, en in elk ervan nauwelijks zichtbare gestalten. Nu waaide er een heftige, turbulente wind die hen van hier naar ginder, maar gezwind in de richting van de gapende doorgangen joeg. Een onzichtbare macht had hen in de duisternis gesleurd en trachtte hen nu naar zich toe te brengen.
Tot plots een lichtpuntje verscheen in het verre duister, snel als een komeet op hen afstormde en aanzwol tot nog een ander portaal, gebogen en gekromd door zijn eigen snelheid. Amper een seconde nadat ze het hadden opgemerkt, raasde dit lege gat over Sisha en Osama heen, ze botsten hard met iets en werden verzwolgen.
Een hartslag later werden ze uitgespuwd op een warm zandstrand vol gebroken schelpen. Een slappe gestalte lag bovenop Osama dun Jaran.
Het was Jereno Arendsblauw Yesaro, Spreker van de Dageraadsdenkers.
""!P
‘Jullie hebben mij - en anderen - verbaasd,’ sprak Jereno Arendsblauw. Zijn stem was kalm en rustig, in perfecte harmonie met het kabbelende water dat liefdevol het zonnebadende strand begolfde.
‘En maar goed ook, want helaas! Ik was te laat, en had je niet meer kunnen redden als je jezelf niet had gered, Osama. Ook u bent een verrassing, mevrouw,’ zei hij tot Sisha.
‘Wij begrijpen er zelf weinig of niets van, Jereno van de Dageraadsdenkers,’ antwoordde Osama beleefd. ‘En blijkbaar heeft u ons net van iets of iemand gered, maar ik begrijp zelfs niet hoe - of waarvan.’
‘Jullie werden gezocht voor het Vagevuur. Zij omdat ze ernstige misdrijven tegen de Hemel heeft uitstaan - praat er nu niet over, mevrouw,’ bracht hij haar tot stilte. ‘En jij, Osama, als fraudeur, omdat je je lot in het Vagevuur ontvlucht bent. Dat dat aan een fout in onze eigen organisatie ligt, wilden sommigen niet begrijpen. Inderdaad, ik heb zelfs gedacht dat de hele zaak georchestreerd was om mij in een slecht daglicht te plaatsen. Maar genoeg daarover.
‘Er werd een schare uitgestuurd om je op te halen, Osama. Ik dacht gelukkig dat er slechts Werkers zouden worden gezonden, anders had mijn bange ziel misschien gefaald of getalmd. Uiteindelijk bleken er twee Sprekers bij de schare te zijn, en ik kon hen maar ternauwernood weerwerk bieden.’
‘Het vuurwerk boven mijn - boven het paleis was van jouw makelij?’ vroeg Osama.
‘Het bederven van dat vuurwerk was mijn doen, vrees ik,’ glimlachte Jereno.
‘Maar - de Zieners zien toch alles. Jereno, kom je niet in veel ergere problemen dan degene waaruit je mij probeerde te redden? Tenslotte heb ik dat Vagevuur verdiend,’ gaf hij met veel moeite toe.
Jereno glimlachte nogmaals. ‘Het is goed dat je dat inziet - dat is meer dan de meesten die in het Vagevuur geworpen worden tot loutering van hun ziel, moge God zich over hen ontfermen. Inderdaad, meneer dun Jaran, ik heb een zaak van reinste rebellie gepleegd tegenover de Hemelse autoriteiten, en zal daarvoor gestraft worden op een manier die jouw begrip te boven gaat, zo men mij ooit schuldig bevindt - hetgeen zeker spoedig zal gebeuren - en vindt - hetgeen wellicht niet veel langer duren zal.
‘Maar er staat meer op het spel dan jouw vijfendertig jaren branden. Ik kan en wil hier niet te veel over zeggen, maar de spanningen tussen de paradijzen lopen op en polarizeren zich in een verontrustend tempo. De vrees heerst dat er grote en niet al te goedaardige veranderingen op til zijn. Velen voelen dit aan en reageren, maar op een verkeerde manier. Belast met vele taken als het goddelijke op dit moment is - overbelast, zouden velen zeggen - wordt dit niet gecorrigeerd en ontstaat er verwarring en politiek. Op een of andere manier zijn jullie de speelbal van dit alles geworden.
‘Ter wille van alle goeds waarvoor de Hemel staat, dienen jullie daarvoor behoed te worden. Bovendien meen ik dat jullie redding in een grootsere opzet past : dat dit alles een groter goed dient dan alleen jullie zielen een ernstig onrecht besparen.
‘Tijdens mijn wilde jacht doorheen de sferen en mijn ingrijpen in het Gebeente ben ik op andere Reizigers gestoten wiens aanwezigheid ik niet kan verklaren. Velen leken doelloos rond te zwerven of beloerden alles wat voorbijkwam - gelukkig was ik zeer voorzichtig - maar anderen waren doelbewust op zoek. Ik denk dat ook zij jullie achtervolgden. Jullie lijken op het kruispunt van vele verhalen te zitten, in het midden van het spinnenweb waar al het geduldig geweven rag samenkomt. Ik weet niet wat er te gebeuren staat, ik hoop dat mijn onwetendheid spoedig geneest.’
‘Het was nogal een kunstgreep die je daarstraks uitvoerde, Spreker,’ prees Sisha.
‘Ik ben een uitermate getalenteerd Reiziger, mevrouw, God zij geloofd en geprezen,’ antwoordde Jereno Arendsblauw Yesaro. Zijn ambergouden ogen schitterden en twinkelden.
‘Zelfs dat had niet gebaat indien zij zich bewust waren geweest van mijn opzet, of zelfs maar van mijn aanwezigheid.’
‘Waren ze dat dan niet?’ vroeg Osama. ‘U had hen toch eerder bevochten boven het paleis?’
‘Dat was de Hemelse Schare, en ik bid dat zij het allen overleefd hebben. Nee, de schare heeft al heel snel verkeerde beslissingen genomen. Zij waren het spoor bijster. Degenen die jullie belaagden en opwachtten in het Gebeente - hoe knap van jullie om zo’n Sprong te kunnen maken, en hoe stom ook! - waren dienaars van de Anderen.’
Sisha slaakte een kreet van ontzetting. Jereno keek haar onderzoekend aan.
‘Inderdaad, Sisha Oreskovich . En niet van de minste. Ik ben overigens erg benieuwd naar u, mevrouw. Uw vaardigheden gaan die van een normale sterveling ver te boven. Ik ken geen enkele Heilige die even grote wonderen kan verrichten als u. En toch veroordeeld als Onzalige? Ik ben erg benieuwd naar uw verhaal.’
Sisha aarzelde even. Ze had geen zin om zichzelf bloot te geven, maar wie weigert een engel iets?
‘Ik was hacker op aarde. Een van de allerbeste. En ik ontdekte dat veel van mijn talenten ook in de Hemel toepasbaar zijn. Wanhopig als ik was - ook ik ben veroordeeld tot het Vagevuur, Osama dun Jaran, hoewel minder streng dan jij - verschalkte ik mijn Wachter, ontvluchtte hem en … Ik kraakte het netwerk van de Denkers.’
Jereno Arendsblauw slaakte een kreet van verbazing.
‘Ik heb heel wat geleerd,’ zette Sisha haar verhaal voort. ‘Maar ik werd eruitgesmeten toen ik tot in de Binnenste Cirkel probeerde door te dringen.’ Ze wendde haar blik nu van de engel af.
‘Al mijn nieuwe kennis, en die was verre van gering, volstond nauwelijks om mijn hachje te redden. Zo flitsend bliksemsnel reageerde de Hemel. Als één gedachte, gedragen door duizenden geesten tegelijkertijd, die zich ongesproken maar efficiënt tegen mij keerde. Als men deze keer even vlot op onze ontdekking had gereageerd als toen, waren we nu al geroosterd als worstjes op de barbecue.’
Jereno Yesaro zweeg even. ‘Mijn God,’ zei hij toen, ‘je bent ongetwijfeld de gevaarlijkste mens die ik ooit ontmoet heb. Nu, je hebt gelijk, hoor. De prestaties van de Hemelscharen zijn ondermaats op dit moment. Er zijn verschillende redenen. Veel werk, is een eerste. Verdeeldheid is een andere. En er zijn diepere oorzaken, waarover ik niet durf spreken.
‘Ten goede of ten kwade, ik heb mijn lot aan dat van jullie verbonden. Het is een lot vol verrassingen geworden. Laat ons nu verder gaan. Het zal niet al te lang duren voor men ons opspoort.’
‘Jereno,’ hield Osama hem tegen. ‘Er is nog iets dat u moet weten.’ En hij vertelde het verhaal van de stervende engel en de woorden die deze hem had toevertrouwd.
Jereno’s gelaatsuitdrukking vertrok tot afgrijzen. Na enige stilte vroeg hij om de mysterieuze broche te mogen bekijken.
Teder betastte de engel het kostbare kleinood. Uiteindelijk begon hij te wenen.
‘Ik kende deze persoon,’ fluisterde Jereno Arendsblauw. ‘Hij was wijs en sterk, en toegewijd als geen ander. Dat men hem kon - en durfde! - te vermoorden, kan alleen het allerslechtste betekenen. Bovendien was hij zoveel bekwamer dan wij ooit zullen zijn. Ik zie niet hoe wij kunnen slagen waar hij faalde.’
Hij keek de twee mensen peinzend aan. ‘Dit stelt ons voor een nieuw probleem,’ sprak de engel. ‘Dit artefakt is zo heilig, zo krachtig dat het onze vijanden zal lokken zoals een vuur insekten aantrekt. Maar het werd door Yassirá Nehemuoharadin Stréneon Neledessíina zelf aan u toegekend, Osama dun Jaran, en ik durf deze gift niet terzijde te werpen. Ook weten we niet zeker dat zij weten dat hij heengegaan is.’
‘Wat gebeurt er met wezens die sterven in het hiernamaals?’ vroeg Osama.
De engel keek hem boos aan. ‘De meesten komen in de Hel terecht,’ antwoordde hij bruusk. Hij beende ervandoor; Osama en Sisha moesten zich haasten om hun redder niet kwijt te geraken.
!"E
‘Het hoort jullie nu duidelijk te zijn,’ sprak Jereno, ‘dat dit alles om veel meer gaat dan het redden van jullie zielen. Wij zijn thans op een queeste om een groot Kwaad te verijdelen. Ik moet hierover nog veel en lang nadenken, maar het is duidelijk dat de evenwichten gebroken zijn. Het is erg veel gevraagd van een mens om zich voor zulk een hoog doel in te zetten, maar jullie zijn in dit grote intrige terechtgekomen en daar kunnen wij thans niets meer aan veranderen. Zijn jullie bereid tot deze inzet? U weet nu welke risico’s u neemt, meneer dun Jaran.’
‘Zeker,’ zei Osama. ‘Ik doe al wat nodig is.’
‘Al wat nodig is,’ beaamde Sisha.
‘Goed!’ sprak Jereno tevreden. ‘Laat ons gaan.’
Enkele meters voor hem bogen twee palmbomen zich naar elkaar toe en vormden een portaal. Tussen hun gelede stammen verdween het droge zand dat de rest van het eiland bedekte, om plaats te maken voor diepe, zwarte duisternis. Het drietal trad het Gebeente van de Werelden binnen.
"!G
‘Waar zijn we?’ vroeg Osama. Hij stond op de helling van een ruige berg tussen rotsblokken en puin. Voor hem rolde een mediterraan, groenglooiend landschap zich uit en vergleed nabij de horizon in zonneblinkend water. De zon brandde als vuur op zijn huid en priemde scherp als een mes in zijn ogen. Haastig sloeg hij ze neer.
‘Olympos,’ antwoordde Sisha. ‘Goeie keuze, Jereno. Vol onverwachte verrassingen, maar erg stomme goden.’
Jereno antwoordde niet meteen.
‘We moeten onze achtervolgers afschudden. Hoe meer plaatsen we aandoen, hoe sneller zij het spoor bijster zullen worden.’
‘Maar bij elke Sprong lopen we het risico om onderschept te worden,’ merkte Sisha op. ‘Ze zullen zich geen tweede keer door u laten verrassen, Spreker.’ In de zuiderse zonnegloed fonkelde haar lange haar in laaiend rood-goud en leek haar huid getint als zacht marmer; zoals ze daar onbeweeglijk op die met gruis en rotsen bezaaide bergflank stond, had ze zelf een heidense godin kunnen zijn, oogverblindend en ontzagwekkend.
‘Eén van de redenen om naar Olympos te komen, is dat dit paradijs een overvloed aan portalen heeft,’ legde Jereno uit. ‘Zowat elke tempel heeft er één, en aan tempels is er hier geen gebrek. De portalen die ik zelf maak, laten sporen na die het moeilijk maken om onze achtervolgers af te schudden. In het Olympische kluwen van poorten kan ik misschien beter werk leveren. Bovendien bewaakt Zeus zijn koninkrijk. Ik denk niet dat hij hen zal binnenlaten …’
De stem van de engel stierf weg zonder dat hij z’n zin afmaakte.
‘Eerst moet ik meer te weten komen over onze achtervolgers,’ zei hij tenslotte.
‘U wilt het orakel raadplegen,’ raadde Sisha.
‘Maar hoe kan dat? Je dient een rivaliserend paradijs,’ wierp Osama tegen.
‘Dat is waar,’ gaf Jereno toe. ‘Het zal gevaarlijk zijn. Vooreerst moeten wij ons vermommen.’
‘Spreker, ik weet dat gedaanten slechts gedachten zijn, maar wij zijn tot zulk denken niet in staat,’ zei Sisha zacht.
‘Ik zal jullie helpen,’ antwoordde Jereno. ‘Sluit je ogen. Mijn kennis van de Griekse Oudheid is beperkt, dus het zou helpen als jullie je een gepaste gedaante kunnen voorstellen.’
Toen sprak de engel enkele woorden die Osama niet verstond, maar hij herkende de taal als Oud-Grieks. Hij voelde een hevig pulseren in de broche die hij, verborgen onder zijn kleren, tegen zijn borst droeg, zo hevig dat het zijn gedachten wegspoelde en hij bijna flauwviel.
Toen hij zijn ogen weer opende, zag hij dat Jereno veranderd was. Zijn huidskleur was van ambergoud naar gebronsd bruin gegaan, zijn gelaatstrekken waren scherper, en zijn vleugels waren anders, ze leken meer …
‘Ikaros!’ riep Sisha. De engel knikte schaapachtig. Hij leek zich ongemakkelijk te voelen in zijn nieuwe gedaante.
Sisha zag eruit als een typische Griekse vrouw; haar haren waren nu zwart, de lijnen in haar gezicht waren tegelijk fijn en uitgesproken, en kleren van geborduurde stof waren losjes rond haar lichaam gedrapeerd.
‘Osama!’ riep de Spreker verschrikt. ‘Dit is helemaal niet wat ik voor je in gedachten had, dit is opvallender dan je echte gedaante! Je bent … Je bent …’ Jereno wendde zich met vragende blik tot Sisha.
‘Achilles,’ zei die langzaam. ‘Hij is Achilles.’
Inderdaad, Osama’s blote bovenlijf was even gebronsd als dat van Jereno, maar bulkte van spieren sterk als staal en droeg de littekens van vele gevechten. Zijn schouders waren breed en machtig, zijn gelaat fier en schoon. Lang en golvend bruin haar had hij, en schitterende blauwe ogen waarin een fel en onbevreesd licht scheen. Slechts een lendendoek verhulde zijn naaktheid. Aan een gordel droeg hij een machtig zwaard, versierd met edelstenen en insignes die als twee druppels water geleken op die van de broche die hij tevoren had gedragen.
‘Wij moeten ons haasten,’ sprak de gevleugelde man. ‘Op naar de navel van de wereld!’
Hij spreidde zijn vleugels, maakte een onhandig sprongetje en klapte zijn vleugels uit. Bijna liep het mis – hij fladderde ongecontroleerd als een kind dat leert zwemmen – maar toch slaagde hij erin niet neer te storten, en vloog langs de bergflank naar beneden.
‘Zo’n tempo kan ik niet bijhouden,’ protesteerde Sisha.
Achilles lachte. ‘Ben ik niet de Snelvoetige?’ zei hij. Met één hand lichtte hij haar van de grond en zette haar als een klein meisje op zijn brede schouders. Verbaasd over zijn eigen kracht merkte hij dat hij haar gewicht nauwelijks voelde. Lachend stormde hij als de onstuimige westenwind de berghelling af.
Met de hulp van bevallige nymfen, die steeds in de buurt bleken te zijn wanneer het trio niet wist welke richting uit te gaan, bereikten ze in minder dan geen tijd de poorten van Delfi. De stad zag er kleiner uit dan Osama had verwacht. Ze was bovendien warm en stoffig, en de huizen waren klein en leken elkaar te verdringen langs weerzijden van te smalle straatjes en steegjes. Overal waar ze passeerden, stroomden huizen, winkels en ateliers leeg en kwamen mensen op straat, roepend : ‘Achilles is hier! De grote Achilles is hier!’ Dat de grote held een gevleugelde man bij zich had, zorgde voor enige hilariteit, maar leek niemand werkelijk te verbazen.
Eenmaal op een groot, zonovergoten plein aangekomen, kwam een groep mannen in rijkelijk versierde gewaden hen tegemoet gesneld. De voorste droeg een zware, met snijwerk versierde staf en sprak hen toe.
‘O machtige Achilles, zoon van Peleus!’ kreet hij. ‘Waaraan hebben wij, inwoners van het schone Delfi, de grote eer van uw bezoek te danken?’
Toen de Griekse held te kennen gaf dat hij gaarne het orakel wilde raadplegen, werd hij onmiddellijk naar de tempel van Apollo geëscorteerd en werden hij en zijn metgezellen, de rij van wachtenden negerend, meteen toegelaten tot het heilige deel van de tempel, waar de Pythia en haar medepriesters verbleven. Er werd hen slechts gevraagd even te wachten in een klein maar koel vertrek terwijl de priesteres zich voorbereidde om hen te ontvangen.
‘Denk je werkelijk dat de blik van het orakel verder reikt dan Olympos? Indien niet, kunnen wij hier toch onmogelijk nuttige dingen leren?’ vroeg Achilles.
‘Het orakel is wel degelijk een venster naar de buitenwereld,’ antwoordde Ikaros. ‘In plaats van het te ondergaan, zoals normale bezoekers doen, zal ik trachten het om te buigen en te focusseren op de zaken die ik wil zien – misschien zal ik zelfs proberen om met personen te spreken.’
‘Zal Apollo dat toestaan?’ vroeg Sisha zorgelijk.
‘Ik denk niet dat Apollo zich veel bezighoudt met zijn orakel,’ lachte Ikaros. ‘Naar het schijnt verklaren de bedwelmende dampen die het orakel inademt, veel van haar raadselachtige uitspraken. Als Apollo toch zou tussenkomen, dan kunnen we het verder wel vergeten.’
‘Denk je dat onze achtervolgers Zeus zullen vernietigen om tot bij ons te kunnen komen?’ vroeg Achilles.
Ikaros snoof. ‘Wees niet zo dwaas. Tot zoiets zijn ze niet in staat. Ze zullen een andere toegang zoeken, of met hem onderhandelen, of wachten tot zijn waakzaamheid verslapt, of misschien gewoon Olympos omsingelen en wachten tot wij naar buiten komen.’
‘En denk je –’ begon Achilles, maar toen kwam men hen halen om bij de Pythia te komen.
Jereno’s avontuur ging grondig mis. Hij gebood het orakel te zwijgen en boog het af naar de wereld buiten Olympos. Bijna meteen namen de wervelende dampen in het tempelvertrek de gedaante aan van een typische geest uit Osama’s moslimparadijs. De geest tuurde in het rond en leek hen niet goed te kunnen zien.
‘Bent u de indringers?’ vroeg hij weifelend. Ikaros wuifde hem geërgerd weg en liet de blik van het orakel rondzweven in de Leegte rondom Olympos. Heel snel echter haakte een verschrikkelijk sterke wil zich vast aan het orakel en probeerde het naar zich toe te trekken. Bliksemsnel rukte Ikaros de blik van het orakel terug naar Olympos, maar het kostte hem veel van zijn kracht. Hij trachtte nu rechtstreeks contact te maken met het Goddelijke in de Hemel om zich te laven aan de wijsheid van het Goddelijke, maar hij stootte op een overweldigende leegte en totale afwezigheid. Wanhopig probeerde hij vervolgens een hem erg bevriende Denker te contacteren, en hoewel hij slaagde in het maken van een zo verre en gevaarlijke verbinding, mislukte ook dit contact – het leek alsof iemand een telefoon opnam en meteen weer inlegde. Hijgend van pijn en uitputting zakte Ikaros in elkaar.
Op dat moment weerklonk er een snerpende gil. Het lichaam van de Pythia spatte bloederig uit elkaar. Een pekzwart portaal verscheen en ijskoude wind blies de rook van het orakel weg. Een geschubd monster met drie leeuwenkoppen verscheen in het portaal en perste zich er doorheen. Het grauwde en viel de weerloze Ikaros aan.
Met een kreet als een donderslag sprong de machtige Achilles echter in zijn pad, zijn scherpe kling reeds getrokken. Hij hiew één van de koppen af en pareerde de aanvallen van de andere twee. Ondertussen tilde Sisha de gevleugelde man op en hees hem op haar rug.
‘Laat ons vluchten!’ riep ze geheel overbodig. Achilles sloeg nog één van de leeuwenmuilen af; zijn zwaard sneed door het vlees van het monster als een mes door boter. Toen het beest zich op zijn achterpoten verhief – het torende hoog boven de held uit – en met zijn klauwen naar hem sloeg, ontweek hij die, dook onder het monster en boorde zijn zwaard diep tussen de ribben van de hybride. Hij rolde er weer onderuit voor het stervende beest tegen de vloer smakte en rende naar de deur, waar Sisha angstig op hem wachtte. Hij zag hellehonden en gevleugelde slangen die elkaar verdrongen om vanuit het Gebeente doorheen de poort te kunnen, maar wachtte niet tot ze daarin zouden slagen.
Zo snel als ze konden doorkruisten Sisha en Achilles de talloze tempelgangen. Hun enige kans was snel een portaal te vinden waardoor ze Olympos konden verlaten, en aangezien de tempel van Apollo te Delfi zo belangrijk was, gingen ze ervan uit dat er ook daar wel een portaal moest zijn – alleen wisten ze niet waar. Al spoedig haalden bovendien de hellehonden hen in, en steeds vaker moest Achilles halt houden om een gevaarlijke achtervolger neer te sabelen. Alleen doordat de tempelgangen zo smal waren dat hooguit twee tegenstanders tegelijk hem konden aanvallen, hadden ze enige kans op overleven. De Snelvoetige held schakelde minstens tien hellehonden uit, haalde twee gevleugelde slangen neer, doodde tientallen wezens die er als een hybride van mens en hyena uitzagen, en overwon ternauwernood een kreatuur dat vaag op een griffioen leek. Ondertussen sleepte Sisha zichzelf en een nog steeds naar adem happende Ikaros voort, steeds dieper de tempel in.
Tenslotte bereikten ze een zware deur die door twee tempelwachters werd bewaakt. Een grote horde vijanden zat hen op de hielen. De wachters vluchtten verschrikt weg van de vertoornde Achilles – een gewisse dood tegemoet. De held beukte de deur uit haar voegen. Voor hen lag een in de rots uitgehouwen ruimte – ze bevonden zich ondertussen diep onder de grond – groot als een balzaal en verlicht door ontelbare kaarsen. Een groot deel van de muur ver tegenover hen bestond uit pikzwarte duisternis : het portaal! Het werd echter bewaakt door een sfinx. Het beest, minstens vijf meter lang van kop tot staart, had zich reeds opgericht en gromde dreigend, daarbij een rij blikkerende tanden als geslepen messen ontblotend.
‘Een sfinx,’ kreunde Ikaros, die stilletjesaan weer bij bewustzijn kwam, maar nog altijd niet alleen kon blijven rechtstaan.
‘Een sfinx, en ik ben al zo moe …’
Achter hen konden ze nu de eerste monsters zien, een stuk of vijf van die akelige vliegende serpenten, tien meter lang en met een bek groot genoeg om een volwassen man in twee te happen.
Met een slappe arm wees Ikaros naar een grote kroonluchter die midden in het vertrek hing, bezet met honderden kaarsen.
‘DAAL,’ fluisterde de Spreker, en een geluidloze schokgolf ging doorheen de tempel. Met een roestige metaalklank zakte de luchter aan zijn zware ijzeren ketting naar beneden. Achilles, die de hint begreep, stak zijn zwaard weer weg, tilde Sisha op zijn rug en nam Ikaros onder zijn ene arm. Op het moment dat de monsters het vertrek betraden en de sfinx zich schrap zette om het drietal te bespringen, nam Achilles een kleine aanloop, sprong naar de luchter en klampte zich eraan vast met zijn vrije arm. Bliksemsnel trok hij zich op, zodat ze rakelings over de kop van de sfinx zwaaiden. Het beest kwam midden tussen de monsters terecht en was al spoedig verwikkeld in een hopeloos gevecht. Achilles klom hoger, buiten het bereik van alle belagers behalve de slangen, en trachtte de luchter meer momentum te geven. Nog tijdens de laatste slingerbeweging, die hen ver genoeg zou brengen om in het portaal te springen, daverde de tempel plots onder een zware voetstap. Een diepe stem weergalmde :
‘WIE WAAGT HET MIJN TEMPEL TE ONTHEILIGEN ?’
‘Apollo,’ fluisterde Ikaros. ‘Hij is toch gekomen.’
Toen sprongen ze, en werd alles duister.
+"EJ
Het leek alsof hij een eeuwigheid doorheen de duisternis zwom. Dat vond Osama niet erg : het was er rustig en behaaglijk warm. Met veel tegenzin kwam hij weer tot zichzelf toen iemand hem aanstootte.
‘Osama, we moeten de Sprong afmaken.’ Het was Jereno Arendsblauw Yesaro. ‘Ik ben hersteld,’ sprak de engel. ‘Het is nu tijd om verder te gaan. We hebben geluk gehad : onze vijanden hebben zich snel teruggetrokken voor de toorn van Olympos en het Gebeente errond ontruimd. Maar ze zullen terugkeren, en dan moeten wij ver weg zijn. Het is tijd om te Reizen.’
Osama knikte moedeloos. Het was waar.
‘Ik heb weinig keuze,’ ging de Spreker voort. ‘Ik doe het niet graag, maar we moeten ons verder naar de rand begeven, nog verder van de centrale paradijzen, en naar werkelijk marginale paradijzen. Alleen daar zijn we wellicht veilig.’ Weifeling klonk in zijn stem.
‘Springen dan maar,’ zuchtte Osama.
IJGE
‘En wat is dit voor een geschift oord?’ protesteerde Osama dun Jaran, terug in zijn eigen gedaante. Hij stond op een saai, foutloos groen tapijt met de textuur van kortgemaaid gazon, bedekt met eindeloos blauw en geen wolkje aan de lucht. Dichtbij lag een gigantische appel, minstens honderd meter groot en blakend van gezonde groene sappigheid. Verder was nergens ook maar iets te bekennen dat de monotonie van het grastapijt doorbrak.
Dit keer moest Sisha het antwoord schuldig blijven. Enkel Jereno wist waar ze waren beland.
‘Dit is het fructionisme,’ zuchtte hij meewarig. ‘Een sekte die gelooft dat alle grote gebeurtenissen in de geschiedenis van de mensheid terug te voeren zijn op Fructische Inspiratie. Bijgevolg vereren zij fruit en eten het niet.’
Osama stond paf. Hij had al lang leren leven met mensen die geen vlees of dierlijke produkten wilden eten en praktisch alleen fruit en groenten aten, maar dat het omgekeerde even goed kon bestaan, daarvan had hij zich nooit rekenschap gegeven.
‘Geef eens een voorbeeld,’ vroeg hij. ‘Van Fructische Inspiratie - mijn God, wat een onzin.’
‘Wel,’ bedacht Sisha, ‘de appel heeft ongetwijfeld iets te maken met Newton, nietwaar, Jereno?’
‘Inderdaad,’ beaamde de engel. ‘Newton en zijn gravitatitietheorie.’
‘Hoe staan jullie tegenover die dingen?’ vroeg Osama. ‘Wetenschap en zo. De wetten van de fysica en de chemie.’
‘Vanzelfsprekend zijn er wetmatigheden in de wereld,’ sprak Jereno, ‘en wat kan er mis zijn met het bestuderen van die zaken?’
‘Maar vinden jullie het niet erg dat de wetenschap God uitschakelt als het ware?’ drong Osama aan.
‘Hoezo, uitschakelen?’ repliceerde Jereno Arendsblauw. ‘In het beste - of ergste - geval toont de wetenschap dat geloof in God niet noodzakelijk is om het bestaan van de wereld een stukje te verklaren. Dat is iets heel anders dan ‘uitschakelen’. Zij heeft bij mijn weten nog niets gedaan dat ook maar in de richting gaat van bewijzen dat God niet bestaat - hoe zou zoiets ook kunnen? Er blijven nog steeds heel veel redenen over om te geloven.’
Er was iets korzeligs in zijn stem gekomen en Osama besloot het daarbij maar te laten.
‘We kunnen beter gaan,’ zei hij. Ze stapten van de appel weg.
Aan het einde van een lange dag maakte het trio zich klaar voor een korte nachtrust. Aangezien dag en nacht niet bestonden in het Fructische Paradijs, hield dat weinig meer in dan het afleggen van wat uitrusting en kledij.
‘Ik begin stilaan hongerig te worden,’ zei Osama. Het was al meerdere dagen geleden dat hij had gegeten.
‘Waarom sprak je trouwens niet over Adam en Eva en de verboden vrucht, toen ik achter de betekenis van die appel vroeg?’ wilde hij weten.
‘Het fructionisme erkent de Bijbel uiteraard niet,’ antwoordde Jereno. ‘Precies omwille van wat jij aanhaalt : dat het fruit zo direct met het kwade geassocieerd wordt.’
‘Is het gras hier niet groener dan waar we daarstraks vertrokken zijn - dan bij de appel?’ vroeg Sisha met een geeuw. Er was hier nu eenmaal niet veel meer om over te praten dan gras.
‘Ja,’ beaamde Jereno. ‘Wellicht betreden we een nieuwe Fructische Sector. Het heiligdom van een andere vrucht.’
‘Leeft hier eigenlijk iemand?’ vroeg Osama.
‘Wie zal het zeggen?’ antwoordde Jereno. ‘In zo’n verlaten uithoek van het Gebeente der Werelden is alles mogelijk. Misschien is dit heiligdom ooit onteerd en wordt het thans door anderen dan de bouwers gebruikt voor duistere doeleinden. Of misschien is het eenvoudig verwaarloosd en verlaten. Of zijn de bewoners zo verschillend van ons dat we ze niet zouden herkennen als we ze tegenkomen.’
De nieuwe Fructische Sector bleek een uitgesproken kersige aangelegenheid te zijn. Al gauw zagen de reizigers een muur van groen, rood en witroze opdoemen aan de horizon. Het bleek een waar woud van kersenboom te zijn. Kersenboom, niet kersenbomen, want elke nieuwe stam, elk nieuw steunpunt van waaruit machtige, zware takken ontsproten, overladen met zoetgeurende bloesems, dieprode vruchten en naar zonlicht hunkerende bladeren, bleek slechts een uitloper, een bastion in een verre voorhoede, van een machtige Boom, door groen blad en bruin-verweerd kersenhout aan het oog onttrokken. Elke tak droeg op zijn beurt vele lichtere takken die lenig omhoogschoten en verdwenen in de talloze etages van een imperium van kersen en lover.
Naarmate de gezellen verder in de boom wandelden, werden de uitlopers gestaag groter en machtiger, elk een talrijke kroost als satellieten ver voor zich uitzendend. Spoedig werd het steeds donkerder, diep onder dat hoge, dikke bladerdak. De boom kreeg iets ouds, eerbiedwaardigs en imponerend.
De doodse stilte werkte echter vrij bedrukkend. Nog meer dan in de saaie, rimpelloze grasvlakte viel hier het totale ontbreken van leven op - geen vogels of insekten, geen ruisen van een zuchtje wind doorheen de zee van bladeren boven het hoofd van Osama, Sisha en Jereno.
‘Het is mooi, prachtig zelfs, maar ik voel me niet op mijn gemak,’ zuchtte Osama.
‘Je hebt gelijk,’ stemde Jereno in, ‘deze Boom draagt zulk een waardigheid dat ik er hoofdpijn -‘
‘Ssst!’ siste Sisha. Ze wees voor zich uit. De reizigers waren bij het centrum van het bos gekomen. Tussen twee reusachtige stammen zagen ze op de achtergrond een nog veel indrukwekkender bolwerk van hout : de echte stam van de kersenboom, dikker dan een huis en bron van ontelbare takken en uitlopers. Verlicht door een enkele lichtstraal die vanop een onpeilbare hoogte tussen de takken was doorgedrongen, stond een fijne gestalte in één van de talloze spleten van de machtige stam.
‘Goeiemiddag,’ zei Osama zo beleefd als hij kon. Hij betrad de grote open ruimte rondom de stam en naderde de mysterieuze gestalte die Sisha ontdekt had. Het bleek een vrouw te zijn, onvoorstelbaar oud van gezicht, maar mooi en rimpelloos, en met ogen als koude, diepe poelen. Een vlechtwerk van kersenbloesems kleedde haar lichaam deels, en jonge twijgen waren vervlochten met haar witte haar.
Toen hij eenmaal voor haar stond, merkte Osama dun Jaran dat de vrouw bloedde - rode druppels vloeiden traag uit haar mondhoeken en vermengden zich met het rood van de vruchten in haar gewaad - en dat zij wezenloos voor zich uit staarde.
‘Mevrouw - kunnen wij iets voor u doen?’ vroeg Osama, en wenkte de anderen naderbij.
Toen zij Jereno zag, kwam er een klein beetje licht in de koele ogen van de vrouw.
‘U bent te laat,’ fluisterde zij. ‘Toch te laat voor mij, maar misschien nog net op tijd voor uzelf. Bent u het dan die men zoekt?’ Zij leek geslagen met verbazing.
‘Wij worden gezocht, vrouwe,’ gaf Jereno Arendsblauw Yesaro toe. ‘Heeft men ons dan hier gezocht, en u getroffen?’
Ze knikte en hapte naar adem. ‘Ik - ik heb geprobeerd hen te verdelgen, maar ik faalde. Mijn verzet heeft weinig mogen baten. Ik heb hen buitengeworpen, maar ik slaagde er niet in de poort - deze laatste Poort van alle Fructes - te vernietigen. Zij zullen terugkomen, deze keer met verwoestende kracht. Ik vrees dat mijn werk en ikzelf Ongedaan zullen worden.’
‘Ongedaan?’ reageerde Jereno geschokt. ‘Dat is ongehoord. Wie heeft u hier aangevallen dat hij zulks zou kunnen verrichten - en wie bent u dat u een dergelijke macht kunt weerstaan, zij het voor korte tijd?’
‘Beiden zijn hier geweest,’ fluisterde de vrouw - de kracht van haar stem nam steeds verder af. Osama meende dat haar laatste uur geslagen was.
‘Beiden, de Lichte en de Donkere Krachten. Ze vochten met mij en met elkaar. De Lichten heb ik gemakkelijk weggeslagen, al hadden zij een Spreker. Maar de Donkeren - een van de Bel’Tha’goon was onder hen. Afwezig en van ver, verwikkeld in andere duistere zaken ongetwijfeld. Zodra het minder om handen heeft, valt deze plaats.’
‘God bescherme ons!’ riep Jereno Arendsblauw van de Dageraadsdenkers verschrikt uit, en onthutste angst vertekende zijn amberen gelaat.
‘Ik zal u niet beschermen,’ fluisterde de vrouw. ‘Ik voed de Boom mijn laatste krachten. Misschien is men slechts in u geïnteresseerd en overleeft Hij mij. Het is nog nooit zo geweest - een Boom zonder Hoeder - maar wie weet of het onmogelijk is?’ Wanhoop ontsierde haar gelaat.
‘Hier mag ook mijn hulp niet baten, vrouwe,’ zei Jereno. ‘Tegen mijn ziel in, zal ik u hier achterlaten en mijn gezellen zo snel mogelijk wegleiden van deze plaats.’
Zij knikte. De eenzame lichtstraal, precies op haar gezicht gericht, gaf haar een spookachtig bleke kleur.
‘Kom!’ riep Jereno. ‘Er is geen seconde te verliezen!’
Lichtvoetig als de wind sprong hij vooruit en schoot weg tussen de talloze uitlopers van de grote Boom. Sisha en Osama dwongen hun vermoeide lichamen tot een snelle sprint en dansten achter de Engel aan, verder het kersenbos in.
Al snel leidde Jereno Arendsblauw zijn vrienden het bos weer uit en opnieuw zagen zij een eindeloos donkergroen grastapijt voor hen uitgerold. Sisha en Osama waren nu werkelijk uitgeput, zij hijgden en strompelden en leken in staat elk moment te bezwijken. De Engel hief nu een lied aan, een woordeloze melodie van heldere, hoge klanken. Bijna ogenblikkelijk voelden de twee mensen zich gesterkt. Het leek alsof het lied hen vulde met energie en kalmte, en alle vermoeidheid wegspoelde.
Jereno begon weer te lopen, sneller nog dan tevoren nu geen boom hem nog belette een rechte koers aan te houden, en zijn twee volgelingen liepen met hem mee.
Al die tijd zong de Engel en Osama en Sisha laafden zich aan de tonen van zijn lied. Enkel Sisha viel het op dat de Spreker een vierstemmige melodie zong; dit soort details ging aan Osama voorbij.
Geen van de drie, behalve misschien Jereno, had kunnen zeggen hoelang zij zo liepen, aangezien elk uur daar op die zonderlinge plaats was gelijk het vorige uur, en geen nacht de dag ooit afloste. Toch leek het Sisha en Osama dat zij nog diezelfde ‘dag’ aankwamen bij een reusachtige banaan. De vrucht was dikker dan een wolkenkrabber hoog is en strekte zich in twee richtingen gekromd uit, verder en hoger dan het oog kon zien.
‘Hier ergens moeten we de uitgang zoeken,’ deelde Jereno mee.
‘De uitgang?’ vroeg Osama. ‘Die vrouw zei dat zij de laatste Poort bewaakte.’
Jereno snoof. ‘Heel machtig, die vrouw - en niet al te snugger, kennelijk. Of ben je de Poort vergeten die wij gebruikten om binnen te komen?’
‘Die Poort hebben de anderen blijkbaar ook niet gevonden,’ merkte Sisha zachtjes op. ‘Ze hadden niet getracht een dergelijke waakster te trotseren als ze weet hadden van een andere ingang.’
Daarop mompelde Jereno iets onverstaanbaars. Osama lachte.
‘Ik denk, Sisha, dat geen van onze achtervolgers een even goede gids heeft als wij.’
‘Wel, zoek de uitgang maar,’ onderbrak Jereno hem. ‘Jullie gids heeft geen idee van waar die zou moeten zijn.’
Het duurde niet lang voor Sisha de uitgang vond. Ze was een heel eind omhooggeklommen - het is verbazingwekkend hoeveel textuur een bananenschil heeft, tienduizend keer uitvergroot - en had daar een ontdekking gedaan.
In de schil was een ordinaire deur aangebracht. Esthetisch totaal onverantwoord, maar toch : een deur. Sisha opende de deur en zag een smalle tunnel door harde schil. Vele meters verder leken de wanden zachter en vleziger te worden. Gek genoeg scheen het verder in de gang niet donkerder te zijn. Licht had hier absoluut niks met de zon te maken.
‘Snel!’ schreeuwde Jereno vanuit de verte. Hij moest nog een eindje klimmen.
Een diep, rommelend geluid kwam op hen afgerold, steeds aanzwellend. De Boom, juist zichtbaar aan de horizon, ontplofte in een laaiende vuurgloed. Aan de einder vrat donkere schaduw aan het wolkeloze azuurblauw van de hemel.
Haastig klauterde Jereno naar boven. Zodra hij bij Sisha en Osama was, gingen ze de gang in, sloten de deur achter zich en begonnen weer te lopen. Na een meter of honderd gingen de wanden van de tunnel uit elkaar en opende zich een gapende afgrond. Pruttige gele banaanwanden daalden eindeloos diep af in het gele vruchtvlees. Osama haalde diep adem en sprong.
E@FG
Deze keer was de sprong zo snel dat Osama zonder overgang van de ene wereld in de andere leek te stappen. Geen diepe val in het inwendige van de banaan, geen lange, duizelige reis doorheen duisternis zwarter dan de nacht. In een oogwenk stond hij onder een met sterren bezaaide nachthemel. Rondom hem bevond zich een gigantisch kluwen van stellingen, buizen, kabels, spiegels en metalen constructies met de meest grillige vormen. Het leek alsof iemand een reusachtige organische machine had gegroeid in een openluchtfabriekshal. Toen Osama’s ogen wat beter aan de nacht gewend waren, zag hij ook hoe tientallen kleine robotjes zich hoog boven zijn hoofd doorheen de machine bewogen, al klimmend, springend en slingerend.
Plots hoorde hij een geluid als het ritselen van papier. Vlak voor zijn voeten braakte de nacht twee verstrengelde gedaanten uit – Sisha en Jereno. Ze hoestten alsof ze dikke rook hadden ingeademd en waren enkele minuten niet tot spreken in staat.
‘Osama,’ rochelde de engel tenslotte, ‘ik weet niet hoe je zo’n snelle Sprong hebt kunnen maken. We hadden geen andere keuze dan je te volgen, maar het was alsof we tegen een sterk getij op moesten zwemmen. Het is ons ternauwernood gelukt – dankzij Sisha’s hulp, moet ik toegeven.’
Ze bleven niet langer op deze mysterieuze plaats, maar Sprongen verder naar andere oorden, hopend dat ze hun belagers konden afschudden.
FJPM
Deze keer was het Gebeente van de Werelden koud als ijs. Verschrikt hapte Osama naar adem. Het leek alsof een hand van vorst hem bij de lurven had gevat. Instinctief klampte hij zich vast aan Jereno’s uitgestoken hand. Hij zag dat de engel, zelf ongevoelig voor de onnatuurlijke winterkoude, zijn andere arm om Sisha’s middel had geslagen. Plots suisde de Spreker er met een machtige slag van zijn vleugels vandoor, de twee mensen met zich meesleurend. Striemende koude geselde Osama’s gezicht. Hij kneep zijn ogen dicht en vocht tegen de verlammende angst die hem het ademhalen moeilijk maakte.
Achter het trio weerklonk een snerpende gil. Osama tuurde achterom en kreeg daar meteen spijt van. Een horde van duivelse gedrochten vulde de einder. Toch was het niet dat pandemonium van messcherpe klauwen en bijtgrage muilen, van gruwel en verschrikking, dat Osama’s ziel doordrenkte met angst. Temidden van het onzalige leger verhief zich een gedaante zwarter dan de nacht. Osama dun Jaran slaagde er niet in zijn ogen te focusseren op die ijzingwekkende verschijning. Toch wist hij zeker dat dit wezen en geen ander die gil had geslaakt die hem door merg en been was gegaan.
Als gehoorzamend aan een onuitgesproken bevel zette de meute zich in beweging. Schreeuwend en krijsend, huilend en grommend, blaffend en snauwend stormden de monsters achter Jereno, Sisha en Osama aan. Ze struikelden over elkaar en vertrapten de traagsten, maar toch kwamen ze ontzettend snel vooruit. De duistere gestalte zweefde iets achter zijn troepen; nu scheen het Osama toe dat ze geheel uit zwart, verterend vuur bestond.
‘De Bel’Tha’goon,’ fluisterde Jereno ontzet. ‘Zet jullie schrap.’
Osama klampte zich ongegeneerd aan Jereno vast, en Sisha deed hetzelfde. De Spreker van de Dageraadsdenkers vloog snel als een roofvogel die naar zijn prooi duikt. Osama voelde de verlammende kilte enigszins wijken, maar Jereno leek niet in staat de hongerige stemmen van hun belagers af te schudden. Toen doemden vóór hen een ándere schare helse beesten op, krijsend in triomf.
IN JAHWE’S HEILIGE NAAM, donderde Jereno Arendsblauw Yesaro, en Osama schokte in pijn; wit vuur kolkte doorheen zijn aderen, en witte vlekken dansten voor zijn ogen. Toen hij een seconde later weer kon zien en het vuur was verdwenen, was de meute voor hen uiteengeslagen, verstrooid in alle windstreken.
SNELLER DAN DE WIND, galmde Jereno’s stem. Echo’s dansten turbulent om hem heen. Als gelanceerd door een katapult schoot hij met duizelingwekkende snelheid vooruit. Osama kneep zijn ogen dicht en begroef zijn gezicht in Jereno’s zij. De engel suisde nu als een komeet doorheen het Gebeente. Steeds wanneer hij een portaal bespeurde of een paradijs naderde, hoe marginaal ook, trachtte hij zich daarheen te wenden. Doch telkens opnieuw bleek elke uitgang uit het gebeente bewaakt door naamloze verschrikkingen. Vaak moest de Spreker zijn Reisvaardigheid tot het uiterste gebruiken om belagers te ontwijken die vanuit het niets opdoken. Totaal verbijsterd door deze ongelooflijke machtsontplooiing had de engel geen andere keuze dan dieper in de Randdimensies te duiken, steeds verder weg van de meer glorieuze paradijzen.
Ik heb niet één keer de insignes van de Hel gezien, bedacht hij. Zijn de Anderen dan zo machtig geworden? En waarom willen ze ons zo wanhopig te pakken krijgen? Wat hebben wij, wat weten wij - zonder dat we ons ervan bewust zijn?
Het antwoord bleef uit, en de engel had zijn volledige concentratie nodig om alleen maar in leven te blijven. Tot zijn ontzetting merkte hij dat de meute die hen al zolang had achtervolgd, hen nu snel inhaalde. De Bel’Tha’goon volgde nog steeds vlak daarachter. Hij leek gegroeid te zijn en aan zijn verschrikkelijke gestalte ontsproten nu pekzwarte vleugels die de horizon van oost tot west omspanden. Het leek alsof zijn dienaren dreven op zijn machtige vleugelslag.
Een enorm beest, gifgroen en lelijk als een draak, doemde voor Jereno op. Tijd om te ontwijken was er niet.
WEES NIET! gilde de engel verschrikt, en het onding loste op in de duisternis op het moment dat zich een pijnlijke botsing had moeten voltrekken. Het gebrul van de meute was nu vlak achter hen en leek hen elk moment te kunnen inhalen. Abrupt klapte Jereno zijn vleugels in, maakte een halve koprol, en dook met onverminderde snelheid een andere richting uit. Huilend van frustratie schoot een bloeddorstig kluwen van monsters rakelings over hen heen.
Het merendeel van de monsters was daarmee voor even afgeschud, maar de gevaarlijkste belager zat hen nog steeds op de hielen. De Spreker voelde hoe het duivelse gedrocht zijn sterkte wegzoog, hoe het hem steeds meer moeite kostte om zijn vleugels uit te slaan en de snelheid te maken die hen uit zijn klauwen hield. Niet zo ver voor hen zag Jereno Arendsblauw Yesaro een portaal. Het zag er erg duister uit en was bewaakt door een grote verzameling van gruwelen, maar er restten hem weinig opties. Hij trachtte bij het portaal te komen, maar vertraagde zienderogen. In een kwestie van hartslagen zou het over zijn, zou het zwarte vuur van de Bel’Tha’goon hen verteren…
Het was Sisha die geheel onverwacht redding bracht.
Heilig vuur in de nacht!, schreeuwde ze schor. De formule was verre van volmaakt en deerde hun belager niet in het minst, maar hij was zo verrast dat hij zijn greep op Jereno’s ziel een ogenblik liet verslappen. Alert als altijd maakte de Spreker daarvan gebruik om, terend op zijn laatste krachten, als een afgevuurd projectiel weg te schieten. Slechts een hartslag had hij nodig om de afstand tot het portaal te overbruggen. Hij kaapte de doorgang, sleurde het uit zijn voegen, dwars door de troep bewakers heen en over hemzelf en zijn metgezellen. Tot het uiterste geforceerd sprong het portaal daarna in stukken uit elkaar, het razende tieren van de Bel’Tha’goon plots afbrekend.
EEBF
Osama dun Jaran kwam behaaglijk zacht terecht. Een seconde later drong echter de walgelijke stank van zwavel en rottend vlees zijn neusgaten binnen. Alle behaaglijkheid was op slag vervlogen. Osama lag in een ondiepe, warme modderpoel. Naast hem lag Jereno Arendsblauw Yesaro, bewusteloos door uitputting, en Sisha, bewusteloos sedert ze haar eigen beperkte krachten tegenover die van een onmetelijk veel sterkere tegenstander had durven plaatsen. Rondom hen lagen gebroken en geknakte lichamen verstrooid in de modder. De lijken van degenen die hen voor het portaal hadden opgewacht, veronderstelde Osama, maar waarom waren zij omgekomen en hij niet? Jereno’s toverij, of magie van duisterder makelij?
Osama was omgeven door eindeloze trieste landschappen : modder in alle variëten, bespikkeld met vaalbruine graszoden en eenzame, knoestige bomen. Ergens in de verte zag hij een rivier en daarachter meer bomen.
Osama wist best waar hij was. Dit was de Hel.
FBIE
Oneindig ver weg en toch min of meer op dezelfde plaats kletterde een kristalhelder glas tegen de granieten vloer en spatte uiteen in zeshonderd zesenzestig vlijmscherpe splinters.
‘Bij alle verschrikkingen van de zeventien hellekrochten,’ mompelde een warme stem. ‘Een engel is neergedaald ter helle.’
En toen, een beetje scherper : ‘Haal ze op. Breng ze hierheen - onbeschadigd. En bereid een warme ontvangst voor.’
‘Jazeker, heer,’ sprak een toegewijde dienaar. Geen seconde later vertrokken gezanten naar de Zestiende Krocht.
JC""
‘De Hel,’ mopperde Jereno. De engel leefde al een hele dag op voet van oorlog met zichzelf. Sisha en Osama waren de verschrikkelijke stank nog niet gewoon geraakt, maar hadden zich ondertussen verzoend met zompige modder, gorgelende poelen en rottend gras. Op dun Jarans initiatief waren ze op weg gegaan naar de rivier, het enige element dat de droevige monotonie van het moeraslandschap doorbrak.
‘Jereno, vertel me eens over het LOGOS,’ vroeg Osama. Het duurde even voor hij antwoord kreeg.
‘Het LOGOS is het Woord van God,’ begon de engel snibbig. ‘Het is het Scheppende Woord waarmee Hij de Werkelijkheid liet ontstaan. Het is het Woord van Waarheid, ontegensprekelijk en dogmatisch, fundament van de Werkelijkheid.’
Jereno had ondertussen zijn gebruikelijke kalmte teruggevonden. Osama ondervroeg hem verder.
‘Ontegensprekelijk? Stel dat het LOGOS toch wordt tegengesproken,’ drong Osama aan.
‘Dan wordt meteen de hele werkelijkheid tegengesproken, want zij is gebouwd op het LOGOS,’ antwoordde Jereno Arendsblauw Yesaro. ‘De werkelijkheid zal Ongedaan worden, en ontelbare wezens zullen Niet Zijn. Alleen goden en duivels kunnen los van de werkelijkheid bestaan; al het andere zal vernietigd worden.’
‘Verdwijnt alleen de Aarde, de menselijke wereld? Of ook de Hemel en alle paradijzen?’ wilde Osama weten.
‘De menselijke wereld zeker en vast,’ beaamde Jereno. ‘De paradijzen? Ik weet het niet. Het is nooit geprobeerd, vanzelfsprekend. Zij zijn niet door Gods hand geschapen en dus niet zo direct met Zijn Woord verbonden. In de Hemel zou de ravage zeker enorm zijn. God zelf zou ernstig verwond worden. Verder zal alles daveren op zijn grondvesten als vóór het Pact van de Paradijzen. Of wij engelen en de dienaren van de andere goden iets dergelijks kunnen overleven, is mij niet bekend.’
‘Osama dun Jaran,’ sprak de engel ernstig, ‘ik kan niet geloven dat het LOGOS op welke manier dan ook geschonden kan worden. Toch alludeerde de stervende boodschapper die u aantrof bij dat heidense paleis, precies daarop. Ook de ongelooflijke machtsontplooiing waarop wij stuitten in het Gebeente wijst erop dat er grote manoeuvers aan de gang zijn. Ik vrees voor het Pact. Talloze keren ben ik reeds bij mezelf te rade gegaan om te begrijpen wat er overal rondom ons gebeurt. Wij zitten er met onze neus op, en toch zien wij het niet.’
Ongeveer op dat moment bereikte het helse gezantschap hen. Een veelheid van gevleugelde beesten daalde uit de hemel neer en landde overal rondom het drietal. Duivels en demonen allerlei stegen af en kwamen naderbij. Met iets van bewondering nam Osama de onbeschrijflijke verscheidenheid aan vormen en gestaltes in zich op. Het was alsof een handboek biologie was verscheurd en iemand met veel creativiteit de snippers achteraf weer in elkaar had gepast en overgoten met een schreeuwerig kleurenpalet. Er waren schepsels met twee benen, en wezens met zeven armen, en nog anderen hadden drieëntwintig poten. Hoofden, ogen, oren, horens, muilen - ze kwamen voor in alle aantallen. Het resultaat was soms schrikbarend, soms niet bijster indrukwekkend. Het ene creatuur droeg wapens, van de traditionele drietand tot meer exotische uitrusting als lansen van vuur, honderd meter lange zwepen, geweren of vlammenwerpers; anderen leken aan hun natuurlijke wapens genoeg te hebben om het drietal in een mum van tijd te verschalken. Allen - het moesten er minstens vijfhonderd geweest zijn - hielden ze echter een zekere afstand tot Osama, Sisha en Jereno. Een gluiperige, mensachtige (maar gehoornde) figuur kwam op hen toegestapt, modder en andere viezigheid negerend.
‘Geachte vreemdelingen,’ sprak hij vormelijk, ‘onze heer Lucifer beschouwt u als zijn gasten.’
Jereno slaakte een gil. De drie ‘vreemdelingen’ bleven dicht bij elkaar.
‘Hij biedt u deze escorte aan,’ vervolgde de gezant. ‘Wil met ons meegaan.’ Hij wees naar de gevleugelde rijdieren.
‘Nee!’ riep Jereno Arendsblauw Yesaro. ‘NEE’ had hij bedoeld, maar zijn Woorden hadden in de Hel geen macht. De gezant lachte.
‘Help hem!’ riep hij, gebarend naar de engel. Verscheidene geschubde wezens met vele ogen naderden de Spreker.
‘Het Heilige Vuur in mij zal doven als ik dit toesta,’ fluisterde de engel ongelukkig. Zijn ellende brak Osama’s hart.
STOP! schreeuwde Osama, zijn hand uitstrekkend naar de creaturen vlakbij Jereno. Alsof de bliksem erop was ingeslagen, pulseerde zijn sieraad plots met een hevige gloed. Hij wist het niet, maar voor allen die hem zagen, verscheen hij als een rijzige gestalte, hoog boven de anderen uittorenend, omgeven door striemen van woest wit vuur. Een gloed van Heiligheid straalde feller dan de zomerzon van het sieraad af.
De hellewezens krijsten en schreeuwden van ontzetting bij het aanschouwen van zoveel Heiligheid. Zij wierpen zich in de modder, wentelden zich in stof en slijk, crepeerden zoals men alleen in de Hel kan creperen.
‘Wij zullen u volgen, en u zal ons escorteren,’ sprak Osama dun Jaran op onverzettelijke toon, ‘maar u zal ons aanraken noch bevelen.’
Niemand durfde zijn gezag te betwisten. Niet veel later zette een onwaarschijnlijke colonne zich in beweging : een engel en twee mensen omringd door een leger van duivels en demonen.
Weinig uitdagingen hebben de mensheid al overvallen die hopelozer zijn dan het beschrijven van de Hel. Met uitzondering van de grote Lucifer is geen wezen in de werkelijkheid, zelfs geen god, in staat de zeventien Krochten van de Hel te schouwen. Zeventien grote Krochten zijn er, domeinen van horror en verschrikking, eindeloos uitgestrekt in oneindige dimensies. In het midden van dit onoverzichtelijke onderwereldse lappendeken - voor zover woorden als midden, naast, dicht of ver iets betekenen in de Hel - staat het grote paleis van Lucifer, duizend keer groter dan alle kastelen en forten ooit door andere handen gebouwd, broednest en heimat van elke goddeloosheid die ooit bedacht is. Dit paleis bewaakt ook de grote Hellepoort, de bres die de Helse horden in de Goddelijke verdediging van de Wereld geslagen hebben. De Poort wordt bewaakt door ontelbare demonen van elke soort voorstelbaar en onvoorstelbaar, en ganse legioenen van kwelgeesten en duistere kreaturen passeren haar dagelijks om op de Aarde hun onheilige werk te verrichten - naar men zegt gebruikt zelfs de Heer van de Hel zelf af en toe de Poort.
Geen plaats in de werkelijkheid, zelfs niet de grilligste fantasie, is zo chaotisch, zo verscheiden, zo organisch als de Hel. Toch is zij, op haar gans eigen manier, een verbluffend efficiënte organisatie, die succesvol instaat voor het kwellen van talloze levende en dode zielen.
De eerste Krocht is het Hellevuur, het meest bekende deel van de Hel, en datgene waar de meeste verdoemde zielen na hun dood terechtkomen. Verterende hitte en ondraaglijke pijn worden hier in immense hoeveelheden voorzien. Het krioelt er van de duivels die het vuur onderhouden, de lijdenden extra kwellen, en dansen op hun kreten van pijn en ellende.
In de zevende Krocht verblijven de meest creatieve geesten van de Hel. Hier worden verschrikkingen bedacht en gemaakt, monsters en gedrochten in alle maten en gewichten. Uit een soort Oersoep, een kokend, kolkend plasma van gesmolten mensenvlees - de vroegere gedaantes van de verdoemden, die hen worden afgenomen wanneer zij de Hel betreden - bezweren de Makers gestaltes die zij vervolgens vullen met leven. Schier oneindig zijn de lijsten die worden bijgehouden en aangevuld telkens een nieuw monster Gemaakt wordt. Zevenentachtigduizend soorten draken vermeldt het grote Boek van Onzaligheden, dat elk jaar door een klein leger van schrijver-demoontjes wordt gecompileerd uit de herwerkte lijsten, en meer dan vier miljard soorten van insektachtigen, speciaal ontworpen voor het kwellen van verdoemden.
Verder huizen in de zevende Krocht ook de Bedenkers, die uitmunten in het schrijven en regisseren van nachtmerries. De gruwels die zij verzinnen, gaan het menselijke begripsvermogen te boven. Een speciale batterij Bedenkers is gespecialiseerd in het bedenken van het ondenkbare, iets wat mensen al sinds mensenheugenis bijzonder angst heeft aangejaagd - naamloze verschrikkingen in het duister. Het Schrift van Verschrikkingen, waarin de scenario’s van alle nachtmerries worden bijgehouden, is zo lang dat de architecten van de zesde Krocht er een nieuwe dimensie voor ontwierpen. De index alleen vult een bibliotheek die zich in grootte kan meten met een aantal aardse hoofdsteden, en telt volgens de meest recente schattingen meer dan vier triljoen titels. De Archieven, waarin al deze nachtmerries gebotteld in op maat ontworpen glazen kruiken worden bewaard, vormen een klein universum op zich, onderhouden door miljoenen hellewezens.
Ergens op de vage grens tussen de zevende en de veertiende Krocht beginnen de eindeloze werven en loodsen van de Bouwers, bespikkeld met de bureau’s van de Architecten. Het Helse bouwbedrijf is één van de grootste werkgevers van de Werkelijkheid : het zet iets meer dan een miljard verdoemden in als slaven voor het bouwen van de infrastructuur en apparatuur die de Onderwereld nodig heeft. Slagvelden en behekste wouden worden hier geconstrueerd, woestenijen en moerassen, spookachtige nachten en oorlogsruïnes. De veertiende Krocht heeft een afdeling waar vijfduizend slaven dag en nacht galgen timmeren, een volière groter dan honderd voetbalvelden om gieren en zwarte kraaien te kweken, en een brouwerij waar jaarlijks meer bloed buitenvloeit dan er op aarde ooit bier is gedronken. In de loodsen wordt een permanente stock bijgehouden van duizenden kerkhoven en honderdduizenden onweders. Er is een afdeling die zich voltijds bezighoudt met afgietsels maken van elke verdoemde die de Hel binnenkomt, voor gebruik in gepersonaliseerde kwellingen en nachtmerries.
Ergens op de overgang met de achtste Krocht worden permanent martelkamers gebouwd. De toestellen die men hier ontwerpt, zijn oneindig veel gesofesticeerder en perverser dan alles wat mensen ooit bedacht hebben. De techniek van het folteren werd door onuitputtelijke mogelijkheid tot experimenteren zo goed als geperfectioneerd. Duivels houden er competities die over de gehele Hel met belangstelling gevolgd worden, zoals het onttrekken van een zo lang mogelijke schreeuw - één enkele schreeuw - aan een verdoemde ziel. Het record staat momenteel iets boven een decennium, en de recordhouder, een zevenkoppig beest met twaalf handen, geniet evenveel aanzien als de beste Makers en Bedenkers.
De achttiende Krocht - jawel - is bijna geheel opgedragen aan de verlatenheid en de eenzaamheid. Het meeste personeel werkt hier achter de schermen en verzorgt een quasi perfecte desolaatheid. Trieste landschappen glijden somber in elkaar over, uit immer brandende bossen verdreven vluchten eenzame zielen vergezeld door een gure, jammerende wind troosteloze moerassen in, vol stinkende poelen van slijm en verrotting en hier en daar knoestige, stervende bomen. Afgezien van het gieren van de wind, het verre klagen van dwaallichten en kwelgeesten en de eenzame schreeuw van een overvliegende aasvogel, heerst hier stilte. Stilte en eeuwige schemering.
Weer andere Krochten zijn vervuld van bloed, dood, en verschrikking. Horden van bloeddorstige wezens met verscheurende klauwen en tanden zwerven er rond en maken genadeloos jacht op weerloze prooien. Kadavers bevlekken het landschap - dorre graslanden, verlaten steden, donkere wouden. Verdoemden verzamelen zich in groepen, trachten zo lang mogelijk te overleven voor ze worden verminkt, opgevreten, of afgemaakt. Dit zijn de eeuwige jachtvelden. Het zijn niet allen weerwolven en hellehonden die hier jagen; sommige verdoemden worden op de hielen gezeten door speciaal op maat ontworpen monsters die de gedaantes van hun geliefden en verwanten dragen. Ook trekken er hele met high-tech en scifi-achtige toestanden uitgeruste legers doorheen deze Krochten van slachtpartij naar slachtpartij.
Ook is er een Krocht - de elfde - volledig gewijd aan de perversie. Hier organiseren de dienaars van de Hel een nooit eindigende orgie van lust en bloed. Dit geldt onder verdoemden als één van de verschrikkelijkste Krochten.
De tweede Krocht is ruimtelijk oneindig klein en bevat niet de minste materie. Duivels zonder gedaante maar machtig van geest leggen zich hier toe op de abstracties van alle ondeugden en gebreken die in de Hel gekend zijn. Veel van het conceptuele werk gebeurt hier.
Ook in de negende Krocht komen de verdoemden nooit. Hier is het garnizoen van de Hel gelegerd. De Hel heeft meer soldaten in dienst dan er sterren aan de hemel staan. In niet te vatten aantallen worden hier duivels gebroed en opgeleid tot demonische krijgers. De poorten van het grootste fort van de negende Krocht staan permanent open; een nooit aflatende stroom van duivels marcheert zonder onderbreking naar buiten, naar slagvelden waarop eeuwige veldslagen worden uitgevochten met de Hemel en de Paradijzen.
Deze onvoorstelbare bedrijvigheid wordt onderhouden door een organisatie die gebouwd lijkt op wanorde en anarchie. Lokale bevelhebbers verkeren in voortdurende vetes met elkaar, trachten elkaar de loef af te steken. Kleine oorlogen worden op elk moment uitgevochten overal in de Hel. De meest smerige vormen van politiek worden bedreven. Zwakkere duivels worden genadeloos uitgebuit door machtigere hellewezens. Landschappen veranderen van het ene moment op het andere, verglijden in elkaar. Onverklaarbare golven van vernietiging en verwarring gaan doorheen de Krochten. En de Tijd! In een vroege oorlog, kort na het Pact van de Paradijzen, werd de Hel uit de Algemene Tijd geworpen, en sindsdien beheert de Heer van de Hel zijn eigen Tijd zo grillig als hem goeddunkt. In zijn paleis, waar de Helse inlichtingendiensten huizen en de Hellesluizen aan de Poorten gevestigd zijn, laat Lucifer zijn eigen Tijd vloeien als een kalme rivier, maar in de Krochten gelijkt hij meer een turbulente luchtstroming. Wanneer het hem belieft, laat de ongekroonde koning van de Hel de eigen Tijd als een gesel over de Krochten striemen, vertragen en versnellen, of zelfs geheel van richting veranderen.
Hoog en onwrikbaar op een troon van pracht een praal gezeten, zetelend op dit onbevattelijke multiversum van terreur en chaos, dit pandemonium van de Hel, stuurde Lucifer ook de Tijd die Osama, Jereno, Sisha en hun escorte naar zijn paleis bracht. Met afstand had de duur van hun reis niks te maken - wat betekent afstand in de Hel? Zodra Lucifer vond dat zij genoeg gereisd hadden, bereikten zij hun bestemming.
Anderen hebben het paleis van Satan beschreven als een eindeloos huis van dood en verderf, maar toen Osama en zijn twee vrienden werden binnengeleid, was het een kasteel van pracht en schoonheid dat zijn gelijke niet kent. Hellewezens, afstotelijk van uiterlijk maar geciviliseerd in gedrag en spraak, brachten hen door een doolhof van grootse hallen, sierlijke gewelven en ontzagwekkende koepels, leidden hen over onmogelijke stenen wandelpaden die zich zonder steunpunten honderden meters doorheen onmetelijk hoge zalen slingerden, door gangen versierd met onschatbare hoeveelheden marmer, goud, schilderijen en houtsnijwerk, gidsten hen door tuinen vol licht en kleurenpracht, en uiteindelijk door een poort zo hoog dat haar top voor het gezicht verborgen bleef. Het drietal betrad de troonzaal van Lucifer.
Osama en Sisha huiverden toen een wezen in de gedaante van een rijzige, elegante man hen naderde. Jereno Arendsblauw Yesaro, Spreker in dienst van God, stond op het punt teminste zijn bewustzijn, misschien zijn ziel te verliezen.
‘Ik wens u vriendelijk een goede namiddag,’ sprak de Duivel. Zijn stem was zoetgevooisder dan de zang van duizend nachtegalen, zijn deftige en toch wat zwierige voorkomen onberispelijk. Het was moeilijk de ogen op zijn gezicht te focusseren. Het leek alsof dat beperkte stoffelijke vat ternauwernood zijn wezen kon bevatten. Zelfs van de haarkleur die de Duivel had gekozen, was Osama niet zeker. Toch was zijn gelaat ontegensprekelijk mooi. De ogen! Zo’n kracht straalden zij uit dat Lucifer’s blik, zelfs nu die zo uitgesproken vriendelijk was, nauwelijks te verdragen viel. Dit was een wezen dat sinds het begin der tijden tegen God gerebelleerd had, herinnerde Osama zich. Tegen God!
Plots klikte er iets in Osama’s geest.
‘Ik begrijp het,’ fluisterde hij. ‘Ik begrijp het! Maar wat kan ik doen?’
Jereno kreunde van de pijn. Osama strekte zijn hand uit naar de lijdende engel - hij droeg het sieraad nu als een met robijnen bezette ring aan zijn middelvinger. Weer laaide het witte vuur op, nu sterker dan ooit tevoren. Jereno’s pijn werd weggevaagd, maakte plaats voor een plotse kracht zoals hij die nooit had bezeten. De Duivel deinsde onwillekeurig een stap achteruit, waakzaamheid brandde in zijn ogen. Beiden beseften nu pas dat de ring aan Osama’s hand niet zomaar vervuld was met Heiligheid, maar gezegend was door Goddelijkheid, en daarom zelfs niet in het middelpunt van de Hel versaagde.
‘Een Engel daalt af naar de Hel,’ sprak de Duivel met een stem vervuld van mysterie en wierook. ‘En hij brengt mij een mens, noch levend noch dood, die het Goddelijke Vuur aan zijn rechterhand draagt. Voorwaar, dit is een machtig raadsel.’
‘Jereno,’ vroeg Osama, ‘wat heeft de Hel te verliezen bij een contradictie van het LOGOS, bij annihilatie van de wereld?’
‘Ach, spreek geen ijle woorden,’ antwoordde de Duivel, en Jereno zei tegelijkertijd:
‘Alles. De Hel voedt zich met zielen die ze uit de wereld steelt.’
De Duivel lachte smakelijk.
‘Welaan, de vernietiging van de wereld is voor mij geen interessante oefening, dat zal ik toegeven.’
‘Toch gaat het gebeuren,’ zei Osama dun Jaran, en zijn ogen begonnen te schitteren. ‘En ik weet hoe.’
‘Dit kan ik toch moeilijk ernstig nemen,’ spotte Lucifer.
‘Het Pact is reeds gebroken, wist u dat?’ sprak Osama. Het was bluf, maar het werkte.
‘Dat wist ik,’ zei de Duivel, maar hij liet iets van respect toe in zijn woorden door te klinken.
‘Maar niet in uw voordeel,’ vervolgde Osama. ‘De Anderen, die nu zo hard werken om het LOGOS te vernietigen, handhaven het cordon rond de Hel. Zij nemen het op tegen God, uw eeuwige vijand en uw ankerpunt in de werkelijkheid.’
‘Dat laatste betwist ik,’ sprak de Duivel op een toon die werkelijk geen tegenspraak toeliet.
‘Okee, goed,’ hijgde Osama. Meteen verdween dat dwingende gevoel.
‘Ik vertel u dit,’ verduidelijkte Osama dun Jaran nu, ‘niet uit sympathie, maar omdat ik denk dat u de enige bent die ons thans kan helpen de machinerieën van de Anderen te dwarsbomen. Bovendien bent u een natuurlijke bondgenoot - u heeft zojuist toegegeven dat de contradictie van het LOGOS sterk in uw nadeel spreekt.’
‘Hmmm,’ neuriede de Duivel. Er brandde nog steeds wat spot in zijn ogen.
‘De sleutel is dit,’ zei Osama nu, en hij hief zijn rechterhand hoog in de lucht. Goddelijk licht spoot in alle richtingen. De Duivel knipperde geïrriteerd met de ogen.
‘Deze ring behoorde toe aan Yassirá Nehemuoharadin Stréneon Neledessíina, en als wij begrepen wat hij ermee deed, begrijpen we alles,’ verduidelijkte Osama nogal onduidelijk.
‘Ik zou het niet weten,’ fluisterde Jereno Arendsblauw Yesaro. ‘Het is een teken van zijn waardigheid als hoge dienaar van God.’
‘Ik denk dat Sisha het wél weet,’ verbaasde Osama iedereen. Sisha kromp in elkaar van angst.
‘De Binnenste Kring van de Denkers,’ hakkelde ze. Toen hervond ze haar waardigheid. ‘Het was één van hun kostbaarste geheimen, maar ik ontdekte het. Het werd me bijna fataal.’
De Duivel lachte.
‘Het raadsel is nu compleet,’ sprak hij met veel genoegen.
‘Yassirá Nehemuoharadin Stréneon Neledessíina was de bewaker van het Lichaam van Christus,’ onthulde Sisha.
‘Het Corpus Christi!’ riep Jereno Arendsblauw.
‘Het Lichaam waarin God naar de Aarde afdaalde om de wereld te onderrichten,’ sprak Osama plechtig.
Lucifer lachte nu zo hard dat zijn lichaam ervan schokte.
‘Om haar te redden, bedoelt u! Door in de gedaante van een mens af te dalen naar de wereld, verbond God het lot van de mensheid en de wereld aan zichzelf. Hij stierf in de gedaante van een mens, en vereenzelvigde zich zo met de mensheid. Zo belette hij de andere Paradijzen, de andere Goden, om Zijn schepping - de facto een schending van het Pact - Ongedaan te maken,’ pleitte de Duivel.
‘Des te krachtiger is het Corpus als instrument om de wereld te vernietigen,’ merkte Osama op. ‘Yassirá werd onlangs vermoord. Het Corpus Christi is geroofd door de Anderen.’
‘Ik wist niet eens dat het bewaard was,’ mompelde Jereno.
‘Niemand wist dit,’ zei de Duivel. ‘Voorwaar, u blufte niet.’
‘Welke dag is het vandaag? In de Algemene Tijd, in Palestina, bijvoorbeeld,’ vroeg Osama.
Lucifer wenkte met zijn linkerhand, en een wand van de pompeuze troonzaal werd een venster op een lawaaierige, stoffige stad badend in heet zonlicht.
‘Twaalf april, late namiddag,’ zei de Duivel.
‘Dan hebben we verschrikkelijk weinig tijd!’ riep Osama ontzet. ‘Snappen jullie het dan niet? Morgen is het Pasen. De Anderen zullen het Corpus vullen met onheilig leven en het laten sterven op Paasmorgen. Het vernietigen, zodat geen verrijzenis mogelijk is. Het fundament van het Christelijke geloof en van de Wereld zal zo vernietigd worden. Dát is de contradictie van het LOGOS. Zo zal de wereld eindigen.’
"EFI
‘Mijn heer heeft de opdracht gegeven u uit te rusten met ons allerbeste materiaal. Het zal u aan niets ontbreken. Volgt u mij, meneer dun Jaran.’
De demon - een uiterst geciviliseerd exemplaar deze keer - leidde Osama doorheen de eindeloze gangen van het paleis van Lucifer. Dat was zonder enige twijfel de grootste doolhof ooit geschapen. Bovendien waren er gebieden waar de architecten hadden besloten hun creativiteit niet langer te laten beknotten door de natuurwetten. Daar buitelden bruggen en arcaden speels in het rond, keerden ze zich ondersteboven en hier en daar zelfs binnenstebuiten. In de echt verraderlijke stukken hadden gangen soms meer dan twee uiteinden, of sloten ze op zichzelf; of verplaatsten de muren zich voortdurend, moest men soms naar links gaan om rechts te komen, en wierpen de toortsen aan de muren valse schaduwen. Het was Osama een raadsel hoe zijn gids hier de weg kon vinden, maar misschien waren er tekenen die zijn menselijke zintuigen ontgingen.
In sommige van de vele vertrekken die ze betraden, hield hun begeleider halt. Osama kreeg dan een klein voorwerp aangereikt dat hem veeleer onbetekenend leek, maar hij stelde geen vragen. Bij andere gelegenheden voerden lelijke duivels met stinkende adems arcane handelingen uit in zijn bijzijn of werd hij door gladde, mooie demonen verzocht doorheen een opstelling van hoogtechnologische apparatuur te passeren. Dan was Osama verbaasd over de haast scifi-achtige kwaliteit van de helse technologie. Hij wist niet of ze het allemaal zelf hadden uitgevonden, of eerder de ontwikkelingen op aarde op de voet volgden, maar het oogde zeer indrukwekkend, terwijl de meeste toepassingen een onverwachte, organische toets hadden.
De Duivel was snel tot het inzicht gekomen dat eigenlijk niemand beter geschikt was dan Osama om de vernietiging van het LOGOS tegen te houden. Hij had daarop Osama dun Jaran uitgenodigd tot onderhandelen, en die was daarop ingegaan. Tot grote verbazing van zijn metgezellen (en in het bijzonder Jereno) was hij er snel in geslaagd een deal te kunnen sluiten. De Duivel zou hem uitrusten met alle Privileges die hem redelijkerwijs van nut konden zijn. Hetzelfde werd aangeboden aan Sisha en Jereno, maar beiden weigerden. Wel zouden zij hem vergezellen bij zijn missie op aarde en hem zo goed mogelijk bijstaan.
Osama had het uiteindelijk nog bescheiden gehouden. Hij had verzocht om propere kledij (van een soort die niet opviel in Palestina, de meest waarschijnlijke plaats om de contradictie door te voeren) en een kort zwaard dat hij gemakkelijk onder zijn kleren kon verbergen. Hij had voor Sisha een vuurwapen meegenomen omdat hij wist dat zij kon schieten, maar hij hoopte dergelijke dingen niet nodig te hebben. Verder had hij wat gadgets gekregen die regelrecht uit een James Bondfilm leken te komen en waarvan hij de precieze functie alweer was vergeten. Het meest interessante waren de bovennatuurlijke Privileges die hij had gekregen. Osama had een helse helderziendheid die hem in een oogopslag de slechte kanten van mensen liet zien. Hij was uitgerust met een spilzuchtige voorraad Eigen Tijd, zodat hij zich onafhankelijk van de Algemene Tijd kon bewegen. Hij had een batterij Nachtmerries meegekregen om eventuele vijanden af te schrikken, maar Osama had de meest gruwelijke geweerd. Hij kon zelfs onder de middagzon in schaduw gaan en vermocht met een gedachte chaos en verwarring te stichten. Tenslotte had hij macht over vuur en duisternis.
Zo vond Osama zijn vrienden terug voor de grote Poorten die de doorgang tussen Hel en Aarde bewaken. Het was tijd om terug te keren naar de Aarde.
,CMN
De zonovergoten, blauwzwangere lucht boven de heuvels van Galilea scheurde open en baarde talloze schimmen: lichte schaduwen en diep duister. Statig en majestueus rolden de grootsten onder hen de hellingen af, stof en steen, mens en dier opslokkend; sierlijk en gezwind dansten de kleineren daar tussenin, gedurig van vorm wisselend en grillig als najaarsweer. Op de top van de hoogste heuvel trad Osama dun Jaran de wereld binnen, gevolgd door Sisha en Jereno Arendsblauw Yesaro. Zijn voetstappen resoneerden in het gebeente van de heuvels, hun echo’s rimpelden op en af in de schimmenzee die rond zijn voeten danste. Een ogenblik lang verduisterde de zon en tekende een hels licht hem reuzengroot af tegen het onnatuurlijke donker. Toen vervaagde de duivelse entrée langzaam en bleef Osama met zijn twee vrienden achter op een stoffige heuvel in de brandende zon.
‘Wel, wel, hier zijn we dan,’ merkte Osama op. Hij zuchtte eens.
‘Kom,’ maande Jereno hem aan. ‘Laten wij deze vervloekte plek achter ons laten. Wij hebben werk te doen – in naam van het Licht, laat daarover geen twijfel bestaan.’
‘Je hebt gelijk,’ zei Osama. ‘Het spijt me, al wat ik je heb aangedaan.’
De engel snoof.
‘Wat je jezelf hebt aangedaan – aandoet! – zou je moeten spijten, meneer dun Jaran. Gaat u niet in schaduwen, de Anderen zullen de schaduw in u grijpen en u erin verstikken.’
‘Een plan,’ onderbrak Sisha hem wat korzelig. ‘We hebben enkele uren de tijd, en veel werk. We moeten een plan maken. Waar is Christus gestorven?’
Jereno kende het dorp waar Christus tweeduizend jaar tevoren was gekruisigd. Dit was een groot geluk voor de anderen, aangezien deze kennis slechts voor ingewijden toegankelijk is. De informatie die de Bijbel hierover geeft is overigens niet geheel correct, en het laat zich vermoeden dat dit geen ongelukje is geweest.
Zonder tijd te verliezen, begonnen Sisha en Osama te lopen zoals Jereno hen dat had geleerd – niet steunend op het zwoegend labeur van hun benen, maar drijvend op gedachten. Als gazelles dansten ze de heuvels op en af. Osama verbaasde zich erover dat hij, afgezien van nieuwe vaardigheden als dit bovennatuurlijke hardlopen, zich nog precies zo voelde als toen hij leefde. Zijn lichaam zag eruit als voor zijn dood, het bewoog zich hetzelfde.
En toch, bedacht hij. Ik weet zoveel meer. Het is allemaal waar! God, de Hemel, de engelen – het bestaat! God bestaat! Dat te weten, boven elke twijfel verheven, maakt zo’n ontzaglijk verschil. Je kan de dingen niet meer bekijken zoals tevoren. Niets is nog vrijblijvend.
En toen realiseerde hij zich nog iets; het trof hem als sloeg de bliksem op hem in.
Ik geloof! Geschokt door dit besef, wetend dat hij hierdoor een ander mens geworden was, struikelde Osama en viel in het stof. Met zijn blik ten hemel opgeheven bleef hij liggen, niet in staat zich te verroeren.
Jereno Arendsblauw Yesaro moet geweten hebben wat zich op dat moment afspeelde in de geest van zijn vriend. Met een blik legde hij Sisha het zwijgen op. Hij gaf Osama enkele minuten de tijd, raakte hem toen vriendelijk aan en reikte hem de hand. Iets warms tintelde doorheen hun handdruk. Osama stond op en keek de engel aan. Geen woorden konden uitdrukken wat zij op dat moment voelden. Zij zwegen dan ook.
Niet veel later stuitte het drietal op een ernstig obstakel. De Anderen hadden kennelijk troepen geposteerd op strategische plaatsen zoals de hoge heuveltop die Osama en zijn kompanen nu beklommen hadden. Gruwelijke monstrositeiten hielden zich daar klaar om elke verdachte voorbijganger – misschien elke voorbijganger überhaupt – te verschalken. Er was een demon van ijs en vuur, en een bard met een harp die liederen van angst zong waaraan zelfs het dapperste hart niet kon weerstaan. Er waren honden groot als leeuwen, en schaduwen waarvan de aanraking giftig was, en stemmen op de wind die fluisterden van bederf en verval.
Osama wilde zijn kortzwaard trekken, maar Jereno hield hem tegen. De slachters van de Anderen kwamen huilend naderbij.
‘Niet jij!’ riep Jereno. ‘Osama, je moet de werkelijkheid redden! Vlucht!’
‘Ook jij niet, Spreker,’ zei Sisha zacht maar streng. ‘Hij heeft je nodig. Laat mij. Ik koop jullie de nodige tijd.’
Iets gracieus en fel dat God voor het vrouwelijke geslacht heeft voorbehouden, fonkelde in haar ogen.
‘Sisha, dit wordt je dood,’ zei Jereno.
Een minuscuul glimlachje verscheen om haar lippen.
‘Ik ben al eens gestorven, Spreker,’ antwoordde ze. ‘Ik kan het best nog een keer. Ga!’
Ze draaide zich om en stapte vastberaden op hun belagers af, nog slechts seconden van haar verwijderd. Zij konden haar gelaat niet langer zien, maar de soepele gang van haar lichaam, de fiere kromming van haar schouders, toonden een kracht sterker dan staal, en vuur fel als de zomerzon.
Met ware doodsverachting wierp de engel zich van de bergflank, suisde als een pijl uit een boog op zijn witte vleugels naar beneden. Osama hulde zich in helse schaduwen, dook tussen verblinde tegenstanders heen en snelde gedragen door een vloed van duisternis ver van het gevaar gedaan.
In het volgende dal aangekomen wierp Osama dun Jaran zijn duivelse mantel van onzichtbaarheid af en liep naar Jereno, die voor hem was aangekomen.
‘Zij verdient onze dankbaarheid,’ zei Jereno zacht. Osama wist niet wat te antwoorden.
Ze renden tesamen verder. Jereno hief een gezang aan dat hen beiden voortstuwde, krachtiger nog dan bij hun vlucht uit de kersenboom. Het mocht niet baten. Toen ze de volgende heuvelrug hadden bestegen, zagen ze hoe vanuit alle windstreken monsterlijke gedrochten op hen toestroomden. Aan de overzijde van de vallei, op een kleine, lage heuvel, blonk een groot kruis onheilspellend in het zonlicht. Hun doel was in zicht, maar honderden vijanden dreigden het hen te ontzeggen. De zon was nog maar een fractie van een graad van het zenit verwijderd.
‘Osama, het is mijn beurt,’ sprak Jereno. Zonder verder tijd te verspillen duwde hij Osama dun Jaran in de richting van het kruis. Die stormde met doodsverachting van de heuveltop naar beneden. De engel rende de grootste groep vijanden tegemoet, met het doel Osama enige tijd te kopen. Het haalde niets uit : de gedrochten, stuk voor stuk afzichtelijke creaturen van haat en duisternis, negeerden hem compleet, liepen hem onder de voet zonder zelfs te proberen zijn aanvallen af te weren. Hij vernietigde een aantal van hen, maar kon de meute niet stoppen.
Osama moest nog doorheen een schare tegenstanders zien te breken vooraleer de weg naar het kruis voor hem open lag. Ze zagen er stuk voor stuk dodelijk en wreed uit.
Al lopend greep hij naar de buidel met Duivelse parafernalia die hij nog steeds bij zich droeg. Hij wierp het lederen zakje ver voor zich uit, voor de voeten en poten van zijn belagers. De buidel sprong en tenminsten tien Duivelse artefacten zetten zich in werking. Enkelen waren betoveringen van de ruimtetijd ; zij vingen een aantal creaturen en lieten hen ter plaatse verdwalen in onbegrijpelijke kronkels van richting en tijd. Anderen spoten Hels vuur, zaaiden verwarring, spraken met de stem van de Duivel (wat ook voor dit soort verschrikkelijke monsters bijzonder vreeswekkend was), of zetten nachtmerries vrij.
Osama sprak zijn Eigen Tijd aan en liep sneller dan de wind, sneller dan zijn tegenstanders, sneller dan de betoveringen die hij in hun midden had geworpen. Hij dook tussen hen heen en spurtte de weg op die naar het Kruis leidde. Osama liep een kilometer en nauwelijks was in de Algemene Tijd een hartslag verstreken, zo krachtig was zijn Eigen Tijd. Hij liep nog een kilometer, weer een hartslag. Hij doorkruiste een dorp, liet een eenzame vrachtwagen ver achter zich. Een hartslag voor het middaguur bereikte hij de heuveltop. Het Kruis stond daar, een lichaam breekbaar als glas was eropgespijkerd. Aan de voet van het Kruis lag een Beest, majestueus en verblindend als de dageraad, maar giftiger en duisterder dan elke schrik die in behekste winternachten rondwaart. Het Beest was ouder dan de wereld. Zonder twijfel was het één van de Andere Goden.
Osama ontwaarde toen met een schok dat de Duivel een Wapen in zijn geest had geplaatst, geheel voor hemzelf verborgen, dat zich nu pas kenbaar maakte. Het was macht scherper dan de beste kling, ouder dan de wereld, ouder dan het Beest, en giftiger en duisterder dan alles wat buiten de Hel rondwaart, geworteld in de Duivel zelf.
Osama reikte naar het wapen, een minuscule fractie van een hartslag verstreek; het Beest, sneller dan alle winden, richtte zich op; Osama zag dat het angstig en bang was.
Osama begreep nu dat het Beest op Paaszondag, op het exacte ogenblik van de verrijzenis, zelf bezit wilde nemen van het Corpus Christi en het wilde vernietigen; deze tegenspraak van de verrijzenis zou volstaan om het Pact op te heffen en de werkelijkheid Ongedaan te maken. Als hij het Beest doodde of het lang genoeg in strijd verwikkeld hield, zou hij dit plan verijdelen. Hij hoefde slechts het Duivelse wapen ter hand te nemen.
Er is een andere weg, zag Osama. Ik ben een mens ; ik heb meer recht op dit menselijke lichaam. Ik ben dood; mijn ziel is vrij en beschikbaar. Ik ben een wiskundige die de Springtheorie kent. Ik ben sneller dan de Tijd.
Achteloos wierp Osama de macht van de Duivel terzijde. Een lichte zuiverheid kwam over hem. Op het exacte moment van de verrijzenis verteerde hij al wat hem aan Eigen Tijd restte – even snel als de Tijd scheurde hij zijn ziel uit zijn lichaam los en maakte zijn moeilijkste Sprong ooit, een mentale Sprong waarmee Osama zijn ziel in het Corpus Christi wierp. Zijn lichaam smakte dood tegen de grond, het Beest huilde en haalde naar hem uit. Osama’s Sprong voelde als sterven, was sterven.
FJmY
Osama’s hart klopte heviger dan ooit tevoren. Hij brandde van liefde zo fel dat hij bij elke hartslag het bewustzijn dreigde te verliezen. Zijn ogen zagen slechts mist; van de rest van zijn lichaam was hij zich maar vaag bewust.
Hij voelde hoe binnen zijn lichaam, dat niet zijn lichaam was maar Zijn Lichaam, iets ontwaakte en zacht naar buiten gleed. Het raakte hem slechts een infinitesimaal momentje lang, maar die aanraking was zo intens dat het bijna Osama’s einde betekende. Hij schreeuwde, niet van pijn, maar omdat een al te hevig gevoel zich binnen hem had samengebald en eruit moest.
Doorheen tranende ogen zag Osama dun Jaran hoe de dienaars van de Anderen wegsmolten tot niets en de wereld verdronk in een zondvloed van hemels licht. Hij werd uit het Corpus Christi geworpen en verloor alle besef van de wereld om hem heen.
%++
‘Osama!’ hoorde Osama. Het kwam van oneindig ver en het leek Jereno’s stem te zijn. Hij kon niet bepalen uit welke richting het geluid kon. Zou hij iets terugroepen?
Terwijl hij zich die vraag stelde, werd het Osama weer eens zwart voor de ogen. Iets zoog hem weg en hij kon het niet tegenhouden.
NNNN
Osama ontwaakte in een woestijn van wit zand, met zijn gezicht in het stof gedrukt. Hij keek op en ontwaarde zover zijn oog reikte slechts een eindeloze vlakte van wit blinkende korrels.
Ik word geoordeeld, besefte hij. Angst overviel hem, perste de lucht uit zijn longen, keerde zijn maag binnenstebuiten en doordrenkte zijn hart met paniek. Het examen van mijn leven! En ik heb me zo slecht voorbereid …
Hij stond recht en staarde bang naar de horizon, wachtend op wat komen zou. Osama wist dat hij geen lichaam meer had, alleen een ziel, maar toch voelde hij de zon branden op zijn huid.
Zonder enige waarschuwing stak plots de moeder van alle stormen op. Een wind wild en ongetemd als het beven van de aarde verscheurde de hemel en ploegde met diepe voren het woestijnland om. Osama werd ruw tegen de grond gesmeten. Hij klauwde met zijn vingers in de losse grond, groef zijn handen in, klampte zich vast aan het wispelturige zand. Een fijne, scherpe regen van zandkorrels geselde hem genadeloos, stroopte de kleren van zijn lichaam en reet zijn huid open.
De storm veranderde : het werd een storm van wit vuur, heter dan de zon en onsterfelijk mooi. De vlammen striemden Osama en verteerden hem volledig. Terwijl hij zich krijsend en huilend trachtte vast te houden, zich trachtte te begraven in het zand, likte het vuur beetje bij beetje zijn stoffelijke wezen weg, verbrandde zijn lichaam en alle herinneringen eraan, herleidde de muren rondom zijn geest tot stof en as, verkoolde alle ballast waarmee hij zijn hart ooit had bezwaard, en liet niets over dan de essentie van zijn wezen, zijn zuivere persoonlijkheid, ontdaan van alle sluiers, zijn naakte ziel. Zo naakt had Osama dun Jaran zich nooit gevoeld. Badend in vlammen heet als de zon, rilde hij.
Een zacht geluid resoneerde doorheen de brandende woestijn. De lucht was zwanger van een macht sterker dan de beenderen van de aarde. De vlammenzee werd doorzichtig, maar haar hitte bleef nazinderen. Rondom Osama verscheen een onschatbare veelheid aan spiegels. Sommige groot en omlijst, andere klein en eenvoudig, meer spiegels dan men met al het zand op aarde zou kunnen maken. In elke spiegel verscheen Osama dun Jaran, en allen keken zij de ziel van Osama aan, en allen spraken zij tot hem. Niet langer door stoffelijke beperkingen gehinderd, zag en hoorde Osama hen allemaal. Elk spiegelbeeld sprak van een moment in zijn leven, een gebeurtenis of een persoon, een daad, een woord, of een gevoel; Osama’s leven werd hem getoond in een superpositie van ontelbaar veel ogenblikken. In een spiegel groot als een berg toonde Osama zichzelf zijn ouders, zijn moeder ineengedoken en huilend op een krakende stoel, zijn vader rechtopstaand, zwijgend en statig maar vanbinnen gebroken. Een glazen scherm dat tot in de hemel reikte, drong hem het beeld op van een vrouw mooi als een engel maar angstig als een verdwaald kind. Hij zag een kleine jongen die speelde in het gras, een auto met blinkende velgen, een oude man op een bank in een park, een drukke straat … Talloze beelden drongen zich aan hem op, schreeuwden om zijn aandacht. Hij kon hen niet weigeren. Velen hadden tot nog toe onbenullig geleken, of toonden mensen die hij één keer vluchtig had ontmoet; een gesprek op een feestje, een ober in een restaurant, een eenzame man op straat die hij was gepasseerd zonder iets te zeggen. Anderen spraken van scharniermomenten in zijn leven, van mensen wiens leven een tijd met het zijne verbonden was geweest.
Bijna allemaal leken ze hem aan een falen, een tekortkoming, een fout te herinneren. Steeds dreigender werd de zee van spiegelbeelden die tot hem sprak. Steeds luider riepen ze hem aan, eisten ze zijn erkenning, zijn bewustzijn van het levensfragment dat zij vertegenwoordigden.
Schuldgevoel knaagde aan Osama’s ziel. Hij werd verdrietig en wanhopig. Steeds duidelijker zag hij de persoon die hij geweest was. Alle zelfbedrog en alle voorwendsels waren weggevallen. Zijn leven zag hij nu als een duidelijke lijn, met vele dunne draadjes die de zijne kruisten of zich er een tijdje omheenwikkelden. Diep ongeluk borrelde in hem op, ongeluk om wat was misgegaan, om de kansen die hij had laten liggen, om het weinige dat hij voor andere mensen had gedaan.
Hij was een miserabel mens geweest.
Osama verlangde er slechts naar verlost te zijn van zijn eigen leven, zijn eigen herinneringen. Ga weg! Verlaat mij, laat mij in eenzaamheid! wilde hij zijn talloze spiegelbeelden toeschreeuwen. Maar hij wist dat dit niet de juiste keuze was.
Met meer wilskracht dan hij ooit in zijn leven ontplooid had, dwong Osama zijn innerlijke zelf tot waardige kalmte. Angst noch afkeer zal mijn houding zijn, besloot hij. Confronteer mij met mijn tekortkomingen. Met berouw en aanvaarding zal ik hen tegemoettreden.
Zo geschiedde het : met berouw even diep als zijn ziel, en haast ondraaglijke pijn en verdriet, nam Osama al zijn herinneringen, al zijn daden en woorden weer in zijn wezen op.
De vlammen doofden uit en verdwenen. De spiegelbeelden losten op als waren ze slechts luchtspiegelingen geweest. Osama dun Jaran was weer alleen in de witblinkende woestijn.
Als grote, lelijke beesten doemden nu existentiële vragen voor Osama op. In elke richting die hij kon bedenken, blokkeerden ze zijn weg. Hij was dood en doordrenkt van schuld en berouw. Wat moest er van hem worden?
Geconfronteerd met zichzelf en met zijn eindigheid dwaalde Osama doorheen de woestijn. Zelfs het gezelschap van een schaduwbeeld werd hem op dit glinsterende tapijt van zandkorrels ontzegd. Het leek alsof hij een pad moest vinden dat hem uit een labyrint zou leiden, maar dit labyrint was er geen met muren en gangen. Het was onzichtbaar. Eerst moest hij de doolhof leren zien, dan pas kon hij een uitweg zoeken.
Negenendertig maal trachtte Osama wegen te bedenken. Hij dacht zich spinnenwebben, doolhoven, kronkelpaden, brede lanen, hoge ladders en veel meer. Iedere keer vonden de beesten hem en sneden ze hem de pas af. Iedere keer verdwaalde Osama dan in radeloosheid, om uiteindelijk terug bij zijn zinnen te komen op de plek waar hij vertrokken was.
Op zijn veertigste tocht leerde Osama dun Jaran hoe hij een goed mens kon zijn en hoe dat hem tot een zinvol en gelukkig bestaan kon leiden. Hij zag de beesten niet terug.
Zijn stappen leidden hem naar de rand van de woestijn, waar die loodrecht in de diepte verdween en plaats maakte voor een witte, zacht schijnende mist. Een warm gevoel bekroop hem en eindelijk herinnerde hij zich wat hoop is. Glimlachend bleef Osama staan aan het einde van de woestenij.
Het zand lichtte nu feller op dan tevoren. Spoedig vergleed de hele woestijn in een warme vloed van licht zo hel dat zien onmogelijk werd en niet zien ook. Osama zelf werd licht, een klein zachtgloeiend puntje verzwolgen door een onmetelijke oceaan. In het licht pulseerde een kracht groter dan de stoffelijke wereld kan bevatten. Een liefde helderder dan de zon doorstroomde Osama’s ziel. Osama was bij God, en een onbeschrijflijke vreugde maakte zich van hem meester.
Osama liet zich meedrijven op die eindeloze golven van liefde en geluk. Zo’n intens verlangen ernaar nestelde zich in hem dat hij wist dat hij er nooit in zijn bestaan nog vrij van zou zijn. Uitzinnig van hartstocht, gezuiverd en gelukkig danste Osama doorheen een wereld van licht. Geen schaduw bezwaarde nog zijn hart. Zijn ziel jubelde. Hij gaf zich over aan God, gaf alles wat er in hem was, gaf zonder voorbehoud. Heer, aanvaard mij! Laat mij slechts de nederigste van al uw dienaars zijn!
Osama stond op een wolk. Een dikke, witte, schaapjeswollen wolk. In de verte hoorde hij helder klaroengeschal. Wat is dit nu weer, vroeg hij zich af. Zijn vermogen tot verbazing was flink geslonken over de laatste maanden. Hij voelde zich nu licht en onbezorgd, en was eigenlijk best op zijn gemak.
Een wit-gouden gedaante kwam vanuit de verte naar hem toegesneld. Het was Jereno Arendsblauw Yesaro, gekleed in een schitterend blank gewaad. Een schare hemelse lieden volgde hem op een afstand.
‘Jereno!’ riep Osama verheugd. De engel leek volledig hersteld te zijn van hun vele avonturen. Hij straalde als goud in verse sneeuw.
‘Heer dun Jaran,’ antwoordde de engel glimlachend. ‘Ik zie dat u het goed stelt.’
‘Heb je vergiffenis gekregen?’ vroeg Osama na enig stilzwijgen.
‘Wij zijn beiden geoordeeld, Osama,’ zei Jereno ernstig. ‘Ten dele bestaat mijn nieuwe opdracht erin aan jou de jouwe over te maken.’
Osama fronste vragend de wenkbrauwen.
‘Naar het schijnt,’ begon de Spreker, en een spottend glimlachje speelde heel even om zijn lippen, ‘wordt je diepste wens ingewilligd. Je hebt het er niet slecht afgebracht voor een sultan van een heidens paradijs,’ zei hij met een knipoogje.
Osama dun Jaran begreep er niets van.
‘Het is uiteraard strikt vertrouwelijk wat er tussen u en de Allerhoogste is voorgevallen,’ sprak Jereno respectvol, ‘maar naar het schijnt heeft u verzocht in Zijn dienst het allernederigste ambt te mogen vervullen.’
Osama knikte en bloosde; het leek hem nu je reinste aanstellerij om tegenover een Opperwezen zulk een bescheidenheid te etaleren.
‘Je bent geschikt bevonden,’ vervolgde de Spreker. ‘Weinigen is zo’n eer ten dele gevallen.’
‘Volg mij.’
Het klaroengeschal hief weer aan, luider en triomfantelijker deze keer. Engelengezang kwam zachtjes op.
Osama en de engel zweefden doorheen het schapenwit naar beneden. De aarde, prachtige blauwe planeet, ontvouwde zich beneden hen, eerst geen zakdoek groot, maar snel groeiend.
Osama’s aandacht richtte zich als vanzelf naar het hart van een mooie Mediterrane stad – het Vaticaan.
Op enige hoogte hielden zij halt. Osama zag het lichaam van een gestorven Paus opgebaard in een gigantische kathedraal, eindeloze rijen groetende gelovigen, en een klein gebouw waaruit geen rook opsteeg. Zijn mond viel open.
‘Ik?’ fluisterde hij vertwijfeld.
‘De Kerk heeft nood aan een groot leider, heer dun Jaran,’ sprak de engel, en hij sprak nu als een Spreker. ‘Een leider die het Goddelijke gevoeld heeft en ervan vervuld is. Een leider die het lot van de wereld ten goede kan keren. Maak u klaar om ten laatsten male ten aarde neder te dalen.’
En toen, met een grijns en nog een knipoog : ‘We zullen er alles aan doen om je een mooie entree te laten maken. Wat de Duivel kan, kunnen wij beter.’
Osama gleed naar het grote plein voor het huis van God en voelde zijn lichaam weer vaste vorm aannemen. De zon fonkelde met een gloed zo fel dat hij de mensen verblindde. Hemelse tonen rezen op vanuit de aarde, daalden af vanuit de hemel, en zwollen aan in een betoverend crescendo. Omgeven met een aureool van gratie en heerlijkheid landde Osama dun Jaran temidden van de mensen. Toen de muziek zijn hoogtepunt bereikte, schalde de stem van de Spreker over land en zee :
HABEMUS PAPAM!
Veelbesproken en veelgeprezen is het pontificaat van Osama I, de Grote, de Verzoener. Veel is hierover geschreven dat niet herhaald dient te worden. Met zijn vijfendertig jaren was hij de jongste moderne paus, nog steeds jong toen het God geviel hem na vijfentwintig jaren in Zijn dienst anno 2040 weer tot Zich te roepen. Men herinnert zich hoe hij zonder dralen man en vrouw in elk opzicht gelijkschakelde, hoe hij dankzij zijn uitzonderlijk charisma en de gezegendheid van zijn verschijnen alle takken van het Christendom verenigde, hoe hij verzoening bracht tussen Christelijken en anderen. Onmetelijke kerkelijke rijkdommen schonk hij weg, bijna even talloze nieuwe roepingen kwamen ervoor in de plaats. Van alle neogregoriaanse stijlen die hij lanceerde, zijn velen nog steeds populair.
De meest ingrijpende daden van Osama I zijn daarmee wellicht nog onvermeld gebleven. Velen herinneren zich hoe de Paus in hoogsteigen persoon een slagveld betrad en louter door het gezag van zijn heiligheid de strijdende partijen tot vrede en verzoening bracht. Minder bekend maar even belangrijk zijn zijn vele ontmoetingen met machthebbers en gezagdragers, waarbij hij hen steevast aanspoorde tot zorg, eerlijkheid, en moed.
Het zou heiligschennis zijn hem uit te roepen tot nieuwe Messias, zoals sommigen gedaan hebben. Hij mag dan God gezien hebben en in zekere zin verrezen zijn, toch was hij een mens van vlees en bloed, en niet het vlees en bloed van God zelf. Beter kan men hem een plaats toedichten tussen de grootste profeten en kerkleiders.
Tenslotte moet het einde van zijn pontificaat vermeld worden. Osama I sliep vredig in zonder enige voorafgaande waarschuwing. Men vond hem levenloos in de grote kathedraal in het gezelschap van een onbekende rouwende vrouw, die even later spoorloos verdween. Naar de betekenis van deze en andere raadselen kunnen wij slechts raden.
Hier eindigt de roemrijke dood van de veelbesproken kerkleider Osama I dun Jaran.