Op
een dag waren de vlinders het beu
Op een dag waren de vlinders het beu en kropen ze allemaal uit de buiken van alle dieren. Boos fladderden ze op en gingen samen in de beuk van de eekhoorn zitten. Het huisje van de eekhoorn leek plots te drijven in een zee van flapperende stukjes regenboog, en het gegons van de zachte stemmetjes van al die vlinders maakte hem wakker, midden in de nacht.
Slaperig keek de eekhoorn uit zijn raam, maar omdat het nacht was, zag hij niets. Misschien is de wind weer met zichzelf aan het praten, dacht hij. De wind was de laatste tijd een beetje in zichzelf gekeerd, en eerlijk gezegd maakte de eekhoorn zich ongerust over hem. Hij dronk een kop thee en probeerde weer te gaan slapen. Nog uren droomde hij over de wind, die zichzelf brieven vol twijfel schreef.
De volgende morgen zag de eekhoorn al die vlinders op zijn dak, op zijn vensterbank, voor zijn deur, en op elke tak, elke twijg van zijn beukenboom.
‘Wat doen jullie hier?’ riep de eekhoorn verbaasd uit. ‘Ik zou jullie uitnodigen voor een kop thee met honing, maar ik heb niet genoeg mokken. Jullie zijn met zoveel!’
‘Vierduizend tweehonderd zevenendertig!’ riep een mooi geel vlindertje. ‘Maar we kriebelen niet meer, we fladderen niet meer, vergeet het maar! We zijn het beu!’
‘O, ‘ zei de eekhoorn beleefd. Hij ging snel naar de mier om te vragen wat dat te betekenen had, maar de mier was uitzonderlijk knorrig en zelfs een beetje onvriendelijk, en dus ging de eekhoorn weer bij hem weg, zonder behoorlijk afscheid te nemen.
De eekhoorn wilde de olifant om uitleg vragen, maar die was
druk bezig ruzie te maken met de neushoorn, die ’s nachts zo hard had gesnurkt
dat het de concentratie van de olifant had gebroken en hij uit de es was
gevallen.
Uiteindelijk raapte de eekhoorn al zijn moed bij elkaar en
sprak hij het gele vlindertje aan dat al sinds ’s nachts op zijn deurklink zat.
‘Wij willen graag eens bedankt worden voor alles wat we voor
jullie doen,’ klaagde de vlinder. Wij
zorgen ervoor dat het kriebelt in jullie buiken, dat jullie vriendelijk zijn
voor elkaar en verliefd worden – allemaal heel fraai van buiten bekeken, maar
vanbinnen ziet dat er wel minder smakelijk uit, hoor.’
De eekhoorn greep verontrust met zijn handen naar zijn buik.
‘Dus, ‘ besloot de vlinder, ‘willen wij voor één keer een
verjaardagsfeest zoals jullie die zo vaak hebben. Vanavond zijn wij allemaal jarig. En als dat niet gevierd wordt, dan vliegen we allemaal weg. Voorgoed.’
De eekhoorn was heel bezorgd, want het was zo heerlijk om
verliefd te worden, op de zon, op een liedje dat de wasbeer verzon, op de
waterjuffer. Bovendien vond hij dat de
vlinders gelijk hadden en schaamde hij zich diep omdat hij niet eerder aan hen
had gedacht.
Dus ging hij op pad en sprak elk dier aan, het nijlpaard, de
aalscholver, de sprinkhaan, het vuurvliegje, de slang en de zwaluw, en vroeg
hen om hem te helpen het feest te houden.
Maar allemaal stuurden ze hem weg en riepen hem na dat hij hen niet
moest lastigvallen met zijn verzinsels.
Bedroefd pakte de eekhoorn het dan maar alleen aan. Hij groef alle noten op die hij voor de
komende winter had ingegraven en pakte ze één voor één in – voor elke vlinder
een kadootje met een boodschap erbij (‘voor de blauwe vlinder op de nok van
mijn dak : gefeliciteerd!’, ‘voor het grijs-met-groen gespikkelde motje op dat
zonnige plekje links van de top van de beuk – hartelijke gelukwensen’). Van de overschot bakte hij een taart, en
toen ze klaar was, verkruimelde hij ze en strooide de kruimels uit over de
grote tafel op de feestplek midden in het bos.
Tenslotte bedacht hij een nieuw verjaardagsliedje.
Toen de avond kwam, zette de eekhoorn een feesthoedje op en
ging hij naar de open plek. Hij begon
zijn liedje te zingen, en meteen fladderden alle vlinders op hem af. Ze begonnen van de taart te smullen – een
kruimel of twee is al een heel feestmaal voor een vlinder – en slurpten van de
stroperige limonade die hij had gemaakt.
Steeds opnieuw vroegen ze hem om zijn liedje nogmaals te zingen, en op
het einde van de avond bedankten ze hem één voor één en vlogen, met een
beukennootje of een amandel op de rug gebalanceerd, in alle richtingen het bos
in.
Vanaf de volgende dag waren alle dieren weer vriendelijk
tegen elkaar. En een heel jaar lang was
er elke dag een ander dier verliefd op de eekhoorn. Elke dag kreeg hij een kadootje of bloemen, en kwam er een dier
serenades voor hem zingen, of lekker eten voor hem maken (gelukkig maar, want
hij had al zijn noten weggegeven), en maakte hij de heerlijkste tochtjes met
vissen en vogels en torren en herten en alle andere dieren van het bos.
Het werd, kortom, een geweldig jaar.