Defending the myth

 

 

 

 

 

 

een sprookje over sprookjes, de wereld, het leven, en andere dingen die ons al eens overkomen op een regenachtige vrijdagmorgend

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

opgetekend door Kevin Jorissen

 


 

E

 

 

nigszins verdwaasd, alsof hij uit de donkere wateren van een diepe droom opsteeg naar het troebele licht van een of andere werkelijkheid, kwam Arth Morthagorn bij bewustzijn.  Het leek alsof dikke webben van vermoeidheid, van lang sluimeren in een eindeloze winterslaap, hem in starre beweegloosheid neerdrukten, als aarde op een grafkist.

Verschrikt door die gedachte sprong hij bruusk recht – en viel meteen weer voorover.  Hij vervloekte zichzelf in stilte en wreef krachtig met zijn handen over zijn lichaam om zijn bloed beter te laten doorstromen.  Toen hees hij zijn stijve, verkleumde lijf opnieuw recht, ditmaal voorzichtiger.  Het eerste wat hem opviel, was het vuil in zijn slordige baard en de gehavende toestand van zijn kleren – het waren nauwelijks meer dan vodden.  Dat irriteerde hem, want de man was een zeer respectabel tovenaar – zijn volledige naam, die alleen op officiële gelegenheden werd gebruikt door de weinigen die hem konden onthouden, luidde Fagat ibn Tergon di Sérlakath Merlënúmenon, en normaalgezien droeg hij een groen-grijs gewaad dat bij zijn hoge rang binnen de magiërsorde paste.

Niet dat hij zich hier binnen de vertrouwde kringen van het tovenaarswereldje bewoog, verre van.  Achter hem was een vrij steile rotswand, met mossen en kleine plantjes begroeid, en struiken en lage bomen hadden rondom de kleine open plek waar hij was ontwaakt een dicht groen gordijn van takken en bladeren geweven.  Hij lag als het ware in een soort groene grot, en hij had er geen idee van waar hij was.

Gelukkig was Arth Morthagorn – waar die naam vandaan komt?  Wel, het is duidelijk dat hij bij zijn toetreding tot de tovenaarsgilde een nieuwe naam had moeten kiezen.  En het was dus Arth Morthagorn geworden.  Daar had oorspronkelijk een symbolische betekenis achter gezeten, maar die was hij al lang vergeten, en het kon hem weinig schelen.  Welnu, Arth was gelukkig niet één van die wereldvreemde magiërs die zoveel tijd in hun wereld van schimmen en drogbeelden doorbrachten dat ze de realiteit niet meer van alle andere werkelijkheden konden onderscheiden.  Evenmin had hij zich geheel en al aan de geneugten van luxe en beschaving laten verknochten.  Neen, hoewel hij één van de begaafdste tovenaars überhaupt was, had hij steeds tijd gevonden om erop uit te trekken, met zijn handen te werken en de wereld te verkennen – hij had zelfs een aantal avonturen beleefd en overleefd.  Daarom ook panikeerde Arth niet toen zijn eerste stappen buiten zijn ‘slaapplaats’ hem een grote, groene vallei toonden zonder enig spoor van menselijke of andere activiteit.  Wat hem wel verontrustte, was dat hij absoluut geen verklaring had voor het feit dat hij hier was – maar daar kon hij nu weinig aan doen, en dus negeerde hij dat probleem.

Arth rilde.  Het was koud.  Hij fronste zijn voorhoofd enkele ogenblikken en dacht diep na.  Toen herinnerde hij zich de juiste woorden.

‘Vlam van Udor, vaar in mij,’ prevelde hij.  Op slag voelde hij hoe behaaglijke warmte zijn lichaam doorstroomde.  Hij knikte goedkeurend.  Nu kon hij op pad gaan om uit te zoeken waar hij was.

 

Tovenaar Morthagorn wandelde twee dagen en twee nachten door de uitgestrekte vallei en vroeg zich af of  hij meteen het volgende dal zou verkennen of eerst rusten.  Toen onthulde het licht van de opgaande zon, zo fel dat het hem als doken in de ogen stak, een dorp dat gelegen was op een paar mijl van hem vandaan.  Voortgedreven door honger waaraan een paar knollen en kastanjes weinig hadden kunnen verhelpen, ging Arth door.  Al snel vond hij een pad dat in de juiste richting leek te lopen.  Het was ettelijke meters breed en blijkbaar uit grote, effen stukken steen gemaakt – of misschien met heel veel magie in de juiste vorm gesmolten?  Het woord asfalt schoot hem te binnen, maar hij wist niet wat dat betekende.

Arth wandelde voort.  Hij was goed gehumeurd en floot elk liedje dat hij zich kon herinneren.  God, hij moest lang geslapen hebben – hij voelde zich als een beer die uit zijn winterslaap ontwaakt was en ontdekte dat de lente volop bezig was de wereld in een fris, groen kleedje te steken.

Plots hoorde Arth achter zich een schel getoeter, gevolgd door het geluid van piepend en knarsend metaal.  Verschrikt sprong hij opzij en keek hij achterom.  Een ronkende, blauwe kist op stalen wielen stond nog geen meter achter hem.  Erin zat een zwartharige man in werkelijk lachwekkende kledij.

‘Meneer!  U moet toch werkelijk een beetje beter uitkijken, ik had u bijna aangereden!’ riep de bestuurder van het voertuig, maar zijn toon verried meer opluchting dan boosheid.

Arth wist niet hoe hij moest reageren, en dat moest de ander hebben opgemerkt.

‘Kan ik u helpen, meneer?   U ziet er niet al te best uit.  Hebt u moeilijkheden gehad?  Ik ben onderweg naar de stad, zal ik u daarheen brengen?’

Arth knikte.  Dat leek het veiligste.  Ach, wat kon er gebeuren?  Dit was gewoon een vriendelijke pummel in een stinkende koets zonder paarden.  Dat kon hij toch wel aan?

De man zwaaide de deur van de auto – noemde het zo?  Waarom herkende hij toch steeds dingen die hij niet kende?- voor hem open en gebaarde hem in te stappen.  Even later stoven ze weg.

Onze tovenaar voelde zich ertoe verplicht een bijdrage te maken in de conversatie.

‘Voorwaar, een geweldige … auto, meneer.  Zo snel als de veile schepselen uit de hellekrochten die op de duivels hete adem rijden,’ merkte hij met enige poëtische zelfgenoegzaamheid op.  Zijn gastheer keek hem echter danig verschrikt aan.  O hemel, zou dit een of andere religieuze freak zijn?  Had hij zijn ‘koetsier’ beledigd?   Snel besloot Arth van onderwerp te veranderen.

‘Ehh, kan u mij misschien vertellen welke dag we precies zijn vandaag?’ vroeg hij maar.  De bestuurder schudde zijn hoofd ; waarom had hij deze wacko in vredesnaam meegenomen?

‘Vrijdag,’ mompelde Erik – want zo noemde de eigenaar van de blauwe Opel.  ‘Vrijdag zeventien augustus, om precies te zijn.’

Augustus??  Het laatste wat Arth zich kon herinneren, was een feestje bij de Aartstovenaar thuis, en dat was ergens eind september geweest.  Hij voelde zich genoodzaakt nog een marginale vraag te stellen.  Hij schraapte zijn keel en vroeg toen :

‘Van welk jaar precies?’

‘Tweeduizend en één, natuurlijk,’ antwoordde Erik, een beetje van zijn stuk gebracht.

‘Wat?!’  Arth kon zijn ontzetting niet verbergen.  ‘Hier moet een vergissing in het spel zijn : tweeduizend en één is een jaar of duizend teveel.’

‘Tweeduizend en één na wat?’ vroeg hij vertwijfeld, in de hoop het nare voorgevoel af te schudden dat hem nu bekropen had.

‘Na, eh …’  Erik moest even nadenken.  ‘Na de geboorte van Christus, geloof ik.  Ja, dat is het.  Tweeduizend en één jaar nadat de zoon van God geboren is.’

Hij glimlachte flauwtjes en herinnerde zich het ranke gouden kruisje dat sinds zijn twaalfde levensjaar aan een kettinkje rond zijn nek hing.  Hij toonde het aan de tovenaar.

‘Ah, die god,’ mompelde Arth.  Hij streek met zijn handen door zijn grijze haar.   Een zorgelijke blik ontsierde zijn blauwe ogen.

‘Mag ik me misschien voorstellen, heer?  Ik hoop dat u me mijn onhoffelijkheid wil vergeven – ik had me al veel langer moeten bekend maken, natuurlijk.  Ik ben Arth Morthagorn, tovenaar aan de grote school van Hil de Wijze aan het Avondschemeringsmeer.  Ik dank u voor uw behulpzaamheid en hoffelijkheid jegens mij en ik hoop dat u me het genoegen wilt doen mij uw vriendelijkheid door enige gunst van mijnentwege te laten terugbetalen, zo u denkt van mijn diensten gebruik te kunnen maken –’

Arth was, zoals  ik al zei, een erg respectabele magiër, en hij had zo nog uren kunnen doorgaan, maar plots sputterde de auto en viel hij met een schok stil.

‘Oh, shit!’ vloekte de bestuurder.  ‘Wel, ik ben Erik van Londen, fotograaf uit Brugge, België,’ zei hij.  Toen stapte hij uit, klapte de motorkap open en sprong hoestend achteruit toen er een dikke rookwolk uit opsteeg.  Daarna keek hij voorzichtig naar het hem volslagen onbekende kluwen van machinerie en besloot dat de auto kennelijk een beetje kapot was.  Erik stapte weer in en probeerde opnieuw te starten ; zonder succes evenwel.

Hij draaide zich naar Arth.  ‘Meneer Morthagorn, als u dan werkelijk een tovenaar bent,’ onverholen ongeloof droop van zijn woorden af, ‘dan kan u misschien de auto weer aan het rijden brengen?’ vroeg hij met een spottende glimlach.

‘Maar natuurlijk, heer van Londen,’ antwoordde Arth.  Hij was erg blij dat hij eindelijk iets constructiefs kon doen.  Hij zuchtte even en begon toen vanalles te mompelen, er hier en daar een klein handgebaar aan toevoegend.

Eerst gaf hij de auto Lindon’s Lichtvoetigheid en toen begon hij aan een weersbezwering, iets waarin hij nogal goed was.

Een helse wind stak onaangekondigd op en smeet de motorkap weer dicht.  Toen zette de auto zich in beweging, voortgejaagd door de felle bries.

‘U zal me wel moeten vertellen waarheen we gaan,’ merkte Arth met een glimlachje van trots op.  ‘Bochten zijn echt niet zo gemakkelijk,’ voegde hij er op een samenzweerderige toon aan toe.

Erik klemde zich aan het stuur vast en keek naar de snelheidsmeter.  Vijfennegentig kilometer per uur!  Hij sloeg wit uit.

‘Houdt u van muziek?’ piepte hij verschrikt.  Misschien zou het vertrouwde lawaai van de radio hem een beetje op zijn gemak kunnen stellen.  De tovenaar schudde zijn hoofd echter en Erik durfde hem niet tegenspreken.  Hij gilde bijna toen ze hun eerste bocht namen.

‘Je moet, eh, aan de linkse kant van de weg blijven, meneer,’ wist hij nog uit te brengen.

‘Nonsens,’ sprak Arth beslist, ‘dat is veel te moeilijk in dit soort bochten.’

Even later scheurde de tovenaar echter de bebouwde kom van het dorp binnen, reed door een paar rode lichten, vloekte op mensen die nauwelijks op tijd uit de weg sprongen en liet de fotograaf van een paar nabije-dood-ervaringen genieten.  Toen besloot Erik dat het tijd was om de tovenaar een paar elementaire verkeersregels bij te brengen.  Hij stuurde Arth de snelweg op – bij het woord snelweg werd de magiër enthousiast, bezwoer wat extra wind en bereikte al snel honderd zestig kilometer per uur – en begon hem te vertellen over voorrang, lichten, enzovoort.

Arth vond het allemaal heel leuk, behalve de snelheidsbeperkingen, want hij had zojuist enkele redenen bedacht om zich heel hard te moeten haasten – maar daarover straks meer.

 

‘En nu, heer Morthagorn, zal u even moeten stoppen – rij daar die parking maar op – want anders ga ik moeten overgeven, vrees ik,’ besloot Erik.

Arth hervond zijn hoffelijkheid en liet de wind ophouden, zodat de auto al snel stilstond.  Misschien moest hij de man wat op zijn gemak proberen te stellen.

‘Meneer van Londen, u bent fotograaf, zegt u.  Misschien kan u me tonen wat u precies doet?’  De tovenaar had  natuurlijk geen flauw benul van wat een fotograaf is, maar hij wist wel dat mensen zich meestal een stuk beter gaan voelen als je ze laat vertellen over wat ze (denken) goed (te) doen.

Erik van Londen verschoot zich echter een ongeluk en begon aan een heel verwarde uitleg.  Blijkbaar was fotograferen een heel snelle manier om schilderijen te maken, en schilderde meneer van Londen vooral welgevormde, schaarsgeklede jongedames.  Arth feliciteerde de jongeman met zijn bijzonder verstandige keuze van beroep, want het was natuurlijk niet moeilijk er de voordelen van in te zien.  Toen Erik hem wat van zijn recente werk toonde, kwam de tovenaar tot de conclusie dat het zo slecht nog niet was om in tweeduizend en één beland te zijn.  Hij toverde voor elk van hen een homp brood met spek tevoorschijn en een kroes wijn, en probeerde ondertussen zoveel mogelijk te weten te komen over de vrouwen op de foto’s.  Je kan hem dat moeilijk kwalijk nemen – stel je maar eens voor hoe het is om duizend jaar lang zelfs niet naar een vrouw te hebben kunnen kijken.

 

Een halfuurtje later waren ze weer op weg.  Het begon echter te regenen, grote dikke druppels kletterden luidruchtig op het dak en de voorruit neer, en omdat er ook een straffe tegenwind opstak en het sturen zo veel moeilijker werd, moest Arth snelheid minderen.

‘Bij de kwijlende hellehonden van prins Kordan!’ vloekte hij.  Maar toen Erik vroeg waarom de tovenaar zo snel in de stad wilde geraken, gaf die geen antwoord.  Na lang aandringen wilde hij uiteindelijk slechts kwijt dat hij hoopte daar iemand aan te treffen.

 

De tovenaar had namelijk het gevoel dat, als hij na eeuwenlange slaap in deze tijd en op deze plaats was terechtgekomen, ook anderen zijn lot misschien zouden delen.  Hij kon zich vergissen : mogelijk was hij de enige die dit overkomen was, of waren andere personen in andere tijden of op andere werelden verzeild geraakt, maar zijn intuïtie vertelde hem het tegengestelde.  Misschien was de hele vervloekte school hier wel gearriveerd.  En als Arth Morthagorn zijn collega’s  ook maar enigszins kende, kon hij er dan maar beter bij zijn om te voorkomen dat ze ongelukken zouden begaan.  Zo waren de tovenaars nu eenmaal : zonder het te beseffen zouden ze een spoor van verwarring en chaos doorheen deze ‘nieuwe wereld’ trekken.

 

En dan was er nog een andere gedachte, latent rijpend in zijn onderbewuste, maar aanwezig genoeg om donkere schaduwen over zijn geest te werpen.  Misschien waren er nog anderen gekomen.  Anderen, die thans geen naam meer hadden …

 

 

Het moet zo’n twee uur in de namiddag geweest zijn toen de magiër en de fotograaf de stad bereikten.  Geen van de twee mannen had nog gesproken tijdens dat laatste deel van de rit, maar ze hadden beiden heel wat nagedacht.  Arth peinsde over waar hij zijn collega’s zou kunnen vinden, Erik van Londen piekerde zich suf over wat Arth nu in feite was.  En besloot dat het kennelijk een tovenaar was, en één met een hele goeie smaak voor wijn.

 

‘Hebben jullie hier een bibliotheek?’ vroeg magus Morthagorn.

‘Ja hoor, zelfs meer dan één,’ antwoordde Van Londen.  ‘De hoofdbibliotheek is nu vlakbij ; als u de auto even langs de kant zet, zal ik u er naartoe brengen.’

‘Heel vriendelijk, meneer Van Londen,’ zei Arth, en probeerde te parkeren.  Hij ramde drie vuilnisbakken en een reclamebord met affiches voor de komende gemeenteraadsverkiezingen, maakte een gevaarlijke slingerbeweging langsheen een culturele bejaardenwandeling in volle actie, en kwam uiteindelijk tot stilstand tegen een vrachtwagen waarop ‘voorzichtig – gevaarlijke lading’ stond.  De tovenaar knikte goedkeurend en keek Erik van Londen grijnzend aan.

‘Verdomd handig, zo zonder paarden,’ zei hij.  ‘Misschien moest ik mij er zo ook maar eentje aanschaffen.’

De fotograaf schudde meewarig het hoofd en bracht de magiër naar de bibliotheek.

‘Wat doen we hier eigenlijk?’ vroeg hij.  ‘Toch geen duizend jaar te laat met het binnenbrengen van een boek, mag ik hopen?  Daarvoor rekenen ze boete aan per week, hoor,’ grinnikte hij.  Hij vond het zowaar nog grappig ook.

‘Nee hoor,’ antwoordde Arth, die de pointe volledig gemist had.  ‘Ik verwacht hier iemand te vinden, of meerdere personen misschien.  Hier, of in het park.’

‘Wie dan?’

‘Zal je wel zien,’ bromde de tovenaar.  Hij zou nog liever ter plekke zijn doodgevallen dan het toe te geven, maar hij was, tot zijn niet geringe ergernis, behoorlijk vermoeid van al dat getover tijdens het rijden.

 

En jawel hoor, ze waren de grote hal nauwelijks binnengegaan, die ontzaglijke ruimte die tot aan de nok was volgestouwd met boeken, boeken en nog eens boeken – en naar men beweert zelfs volgens een zekere geordendheid – nauwelijks hadden ze zich tussen de eerste boekenrekken begeven, of er weerklonk al een opgewonden kreet doorheen het bibliotheekgebouw :

‘Arth!  Jongens, Arth is er!  Hier, Arth!!  Hier zijn we!!’

‘O, bij de zevenenzeventig geile hoeren van de prins van Karthen!’ vloekte Arth, maar er schenen pretlichtjes in zijn ogen.  Hij snelde vooruit, de anderen tegemoet.

Na heel wat handenschudden herinnerde Arth zich zijn goede manieren.

‘Heu, collega’s, dit is mijnheer Erik van Londen, fotograaf.  Mijnheer Van Londen, dit zijn enkele van mijn collega’s aan de school van Hil.  Dit is Bertel, dit is Sonder Gustavsson, Mindra van Karnek, Gurden Jinslev da Serelenka, en dit hier is Heer Fredo de Galende.’

Allen knikten ze beleefd maar ongeïnteresseerd naar de fotograaf, behalve Bertel; die stapte op Erik toe en gaf hem een stevige handdruk en een warme glimlach.  Hij was een wat gezette, kalende man met een korte, dikke baard en vriendelijke ogen.  Jovialiteit en enthousiasme straalden van hem af ; sterke, gegroefde handen verrieden dat hij in zijn leven wellicht meer werk verzet had dan de andere vijf magiërs samen.

‘Hm, wel, goed dat jullie hier allen zijn.  En wat hebben jullie hier al allemaal verricht?’ vroeg Arth aan de anderen.

‘Wel Arth,’ antwoordde de slanke, noorderse man die als Sonder Gustavsson was voorgesteld, ‘zodra we ontdekten dat we hier waren – nu ja, hier… in elk geval niet dáár, bedoel ik – toen besloten we uit te zoeken waar we hier waren, uiteraard.  En dus kwamen we naar de bibliotheek.’

‘En hebben jullie al iets ontdekt?’

‘Wel, we gingen juist …  Nee, nog niet zo heel veel, in feite,’ gaf Sonder met een fijn lachje toe.

‘We zijn hier nog niet zo heel lang,’ voegde hij er verontschuldigend aan toe.

‘Wel,’ zei Arth, en hij wreef zich energiek in de handen, ‘laten we er dan maar aan beginnen.’

Hij sloot zijn ogen en vormde met zijn lippen enkele woorden.  Erik keek hem vol verwachting aan ; de anderen stonden er ongemakkelijk bij of keken elkaar met schichtige blikken aan.

Na een halve minuut opende Arth zijn ogen weer.  Zijn gezicht was rood aangeschoten.

‘Ahum,’ baste hij.  ‘Laat ik het nog maar eens proberen.’

‘Arth,’ sprak de lange Mindra vergoelijkend, ‘laat maar.  De boeken hier luisteren niet.  Ze zullen niet komen als je ze roept.’

‘Wat?!  O.’  De tovenaar kon zijn opluchting nauwelijks verbergen; zijn schaamte viel van hem af.

‘Hm, eens kijken, hoe gaan we dan in godsnaam een geschikt boek vinden dat de laatste duizend jaar geschiedenis voor ons samenvat?  Ik kan ze toch niet allemaal gaan lezen, of wel soms?’

Toen kreeg hij een idee.  Hij spreidde zijn armen en sprak een heleboel indrukwekkend klinkende woorden uit waarvan Erik er niet één verstond.  Toen hij stopte, verscheen er een klein rood-groenig duiveltje met geklauwde vleugels.  Het keek Arth een ogenblik geaffronteerd aan en vloog toen een gang met boekenrekken in.

‘W-wat is dat?’ stamelde Erik verschrikt.

‘O, gewoon een demoontje,’ antwoordde Arth met zorgvuldige bescheidenheid.

‘D-die bestaan toch niet?’ counterde Erik, lichtjes wit uitgeslagen.

‘Natuurlijk niet,’ zei Arth met een frons van onbegrip op zijn voorhoofd.  ‘Ik wil een onmogelijk karwei klaren.  Nu is het toch wel duidelijk dat er per definitie niets bestaat dat een onmogelijke taak kan uitvoeren, juist?  Wel, dan laat je het toch gewoon doen door iets dat niet bestaat?’

Hij haalde zijn schouders op en grijnsde alsof het allemaal niet zo veel voorstelde.

‘Maar hoe kan die demon dan voor u werken als dat beest helemaal niet bestaat ?!’ riep Erik uit.  Hij had het gevoel dat de controle over de situatie hem definitief uit handen glipte, dat hij zich op terrein bevond waar dingen als common sense en realiteit het opgaven en snel een beter heenkomen zochten.  Dat went wel als je maar genoeg met magiërs optrekt, maar voor hem was het de eerste keer, en wat beginnersonwennigheid dient dan ook met de mantel der liefde bedekt te worden.

Arth zag uiteraard het probleem niet en keek Erik aan alsof die net het meest onredelijke bezwaar had gemaakt dat hij zich kon indenken.

‘Nou en?’ zei hij uiteindelijk.

‘Dus al die magie is eigenlijk gewoon dingen doen die – die er eigenlijk helemaal niet zijn, die helemaal niet gebeuren?’ waagde Erik in een laatste poging om de tovenaar te begrijpen.

Maar Arth Morthagorn snoof verontwaardigd en keek de jongeman met vlammende blik aan.

‘Wil je dan soms insinueren dat wij een stelletje sjacheraars zijn, jij brutale jonge hond?’ blafte hij nijdig.  ‘Wat een ongelooflijke flauwekul!  Wat een – wat een arrogantie!  Dit hoef ik niet te pikken!’

Hij draaide zich om, liet de fotograaf verbijsterd achter en ging naar zijn collega’s.

 

‘O, jullie hebben de computers gevonden,’ liet Arth zich ontvallen toen hij de andere tovenaars naar een scherm zag staren.

‘Je kent die dingen?’ vroeg Sonder verbaasd.

‘Nee hoor,’ ontkende Arth met een breed armgebaar, ‘ik herinner me constant dingen die ik niet weet, dat is alles.’

Heer Fredo zuchtte.

‘Daar heb je nou ook nooit wat aan,’ mompelde hij somber.

‘Hou je kop, sufferd!’ snauwde tovenaar Morthagorn.  Soms verdacht hij de wereld ervan zich hoogstpersoonlijk tegen hem te keren ; dit was één van die momenten.

‘Het zijn eigenlijk machines die heel veel weten,’ onderbrak Mindra in een poging om strafbare feiten te voorkomen.

‘Heel intelligente demonen of zo?’ vroeg Arth.

‘Nee, ze hebben helemaal geen bewustzijn.  Ze begrijpen niets, ze zijn niet slim, ze weten alleen onvoorstelbaar veel.  En ze praten constant met elkaar, zodat ze samen echt over schandalig veel kennis beschikken.  Veel beter dan boeken eigenlijk,’ besloot Mindra van Karnek.  Een afwezige blik, typisch voor hem, vulde zijn ogen.  Hij was veel te nieuwsgierig en snel afgeleid, verstrooid, wereldvreemd en onhandig, maar aartsvriendelijk en zo verschrikkelijk intelligent dat het eng was; en zoals vaak het geval is met dat soort mensen, ook op een ongewilde, hulpeloze manier vreselijk schattig en aantrekkelijk.  Een rauw litteken aan de rechterzijde van zijn nek bewees nochtans dat hij zich met meer bezighield dan schattig wezen.

‘Je kan ze bedienen,’ hervatte hij zijn uiteenzetting, ‘instructies geven en informatie vragen, maar het gaat niet altijd even efficiënt.  Ik denk dat de mensen die deze machines bouwden, niet helemaal begrepen wat ze aan het doen waren.’

‘Het is zo’n beetje als die telmachine die de goeie ouwe Quirna maakte voor hij gek werd.  Weet je wel?’ viel Bertel in.  Hij had dat grote rekentoestel altijd fascinerend gevonden, maar moest toegeven dat het vijf keer niets was vergeleken met het apparaat dat nu voor hem stond.

‘Wel, laten we eens kijken,’ besloot Arth.  ‘Sonder?’

De noorderling had zich achter het klavier van een pc gezet.  De zes magiërs trachtten zich zo dicht mogelijk naar het scherm toe te wringen.

‘Waarom is dat onnozele schilderijtje toch zo vervloekt klein?’ riep Heer Fredo geërgerd, die de kleinste was en niet veel kon zien.

‘Dat is geen schilderij, Fredje, dat is een monitor, een beeldscherm!’ pareerde Bertel spottend, die de hooghartige markies van Galende niet al te best kon luchten.

‘Nou, en maakt dat het soms ook maar één centimeter groter ?!’ protesteerde Fredo, maar iedereen negeerde hem.

Na ongeveer tien seconden begonnen de anderen echter ook ruzie te maken, en ze besloten het werk te verdelen.  Sonder, Gurden en Bertel zouden zich met praktische vragen bezighouden, terwijl Mindra, Arth en heer Fredo zouden proberen historische informatie te vinden.  Ze zetten zich per drie aan een computer en begonnen naar hartelust het internet te verkennen.

Tot Arth zich iets herinnerde.

‘O, meneer van Londen?’ zei hij over zijn schouder.  ‘Ga maar weg hoor, ik denk dat we je niet meer nodig hebben.’

Erik knikte, met stomheid geslagen.  Uiteindelijk ging hij maar weg ; hij had per slot van rekening nog heel wat werk te doen.  En wat was hij deze weirdo’s eigenlijk verplicht?  Niets toch?

 

De drie ‘praktische’ tovenaars amuseerden zich rot.  Er waren constant gilletjes van verrukking te horen van bij hun pc, of dingen zoals ‘nee Sonder, dat niet, ik wil naar dáár!’, ‘dat heb je weer helemaal verkeerd geschreven, idioot!’, en ‘o god, ze is helemaal naakt!  Nee, wacht!’.

De andere drie waren nauwelijks begonnen toen de kleine demon met een lijvig boek kwam aangevlogen.

‘Hier heb je wat je vroeg,’ snauwde het wezentje.  ‘Leuke job hoor, ik schaam me rot.  Ik hoop dat je er niet nog één nodig had?!’  Zonder op antwoord te wachten, verzaakte het aan zijn existentie en keerde terug naar, welja, ergens anders.

Mindra verplichtte Arth en de Heer van Galende om zich op het boek te storten en hem met rust te laten.  Hij legde zijn hand op het scherm en sloot zijn ogen.  Zijn twee vrienden zagen dat hij iets van plan was, maar ze kenden hem goed genoeg om te weten dat dit niet het moment was om te vragen wat.

Arth en Fredo lazen enkele uren aan een stuk over lang vervlogen tijden, over veldslagen en verdragen, revoluties en ontdekkingen, politiek en corruptie, wetenschap en kunst, fastfood en televisie, en besloten dat de wereld eigenlijk min of meer was zoals ze zich hem herinnerden : een weerspiegeling van de mensen die hem hadden gemaakt, en die waren blijkbaar niet al te veel veranderd.  Eén feit trof hen diep : van tovenarij hadden de auteurs van het geschiedenisboek nooit gehoord.  Was de magie dan verdwenen?

 

Toen de namiddag op zijn einde begon te lopen, waren de magiërs het beu.  De vijf collega’s praatten wat met elkaar over wat ze ontdekt hadden (niet veel, eerlijkgezegd) en wachtten tot Mindra van Karnek klaar was.  Gelukkig beproefde die hun schaarse geduld niet al te sterk.

‘Jongens, ik ben klaar!’ fluisterde hij met een stem die vol was van genoegzaamheid.

‘Wat heb je in godsnaam gedaan, Mindra?’ vroeg Sonder Gustavsson kritisch.  ‘Ik dacht dat je in slaap was gevallen!’

‘Een beetje respect, jongen!’  Mindra was zo opgetogen dat hij het niet kon opbrengen kwaad te worden.  ‘Ik heb hem begeesterd, hem bij bewustzijn gebracht!’  Lichtjes van opwinding schitterden in zijn ogen.

‘Wat?!  Heb je een demon in die machine gestoken?  Waar is dat nu weer goed voor?’  Arth’s humeur was eigenlijk al aan het beteren, maar hij liet het vooralsnog niet merken.

‘Nee,’ repliceerde Mindra met klem, ‘geen demon.’  Zijn stem werd nu zwoel fluisterend, hij boog zijn lange gestalte voorover naar de anderen en wenkte hen samenzweerderig dichterbij.

‘Ik zeg je : ik heb hem bezíeld!  Geen demonen of van dat nepspul, geen inbezitneming!  Ik heb hem bezíeld, bewustgemaakt!’ 

Artificial Intelligence! , bedacht Arth Morthagorn, en hij voelde zich plots beklemd.  Bezweringen doen om voorwerpen in bezit te nemen kon elk van de aanwezige magiërs – dat leerden adepten aan de School van Hil al in het vijfde jaar van hun opleiding, als ze wilden.  Maar werkelijk bewustzijn creëren?  Misschien kon Hil het – de grote Wijze kon zo goed toveren dat de meeste geesten en demonen hem spontaan hun diensten aanboden uit schrik om hem kwaad te maken, en dat de materie zich naar zijn toverformules schikte nog voor hij ze had uitgesproken.  En naar men vertelt was Hil toen maar gestopt met toveren omdat er eigenlijk niks meer te toveren viel voor hem.

Maar alle andere magiërs konden alleen maar dromen van zulke macht, en hoewel ieder natuurlijk zijn eigen talenten had, was er geen een die echt beter was dan Arth.  En die wist dat híj deze AI-incantatie niet tot een goed einde had kunnen brengen.

Toen begonnen doorheen het hele bibliotheekgebouw de pc’s te piepen.  Schermen werden zwart, downloads werden verbroken, schijven werden gereset en een ontzaglijke datastroom, schijnbaar uit het niets opgedoken, eiste de volledige capaciteit van elke meter fiberkabel in het gebouw op.

“GOODBYE,” verscheen in grote witte letters op het scherm van Mindra’s computer.  De geniale tovernaar schoot in een hysterische lachbui.

Misschien, bedacht Arth, heeft Mindra zijn experiment toch niet helemaal tot een goed einde gebracht.

‘Eh, collega’s, ik denk dat we maar eens moesten opstappen,’ zei hij.

De anderen vielen hem bij.  Geen van hen zou het hebben toegegeven, maar Magus Morthagorn was een beetje hun ‘senior wizard’ en als er iemand enig gezag had over het clubje, was hij het wel.

‘Ja,’ mompelde Bertel, ‘ik sterf zowat van de honger.’  Hij wreef zich enthousiast in de handen en klopte toen met een veelbetekenende lach op zijn buikje.

‘Tijd om wat te eten,’ beaamde de markies van Galende, en streek door zijn blonde haren om te voorkomen dat ze zich van de strenge dwang van zijn kapsel zouden bevrijden.

 

In minder dan geen tijd stonden de magiërs weer buiten.

‘Kijk!  Chocolade!’ gilde Fredo van Galende.  Hij wees naar een klein winkeltje aan de overkant van de straat.  De vitrine puilde uit van snoep, drankjes en allerlei verpakte waren die er op een ongedefinieerde manier eetbaar uitzagen.  Jawel, het was één van die nachtwinkels met een gestoord bioritme.

Voor de anderen hem konden tegenhouden, rende hij de straat over en stormde de winkel binnen.  ‘Nou,’ zuchtte Arth, ‘laten we er maar achteraan gaan.  Voor je het weet, zet hij de boel daar op stelten, weet je wel?’

De anderen knikten.  Voorzichtig staken ze de baan over.

 

 

!!!!

 

 

Licht prikkelde haar doorheen haar gesloten oogleden.  Ze had de hele nacht in een ongemakkelijke houding tegen een harde stenen muur gezeten en zogauw haar ontwaken hem de kans gaf, begon haar rug vol overgave te protesteren.  Ze kwam recht uit het hoekje waarin ze gisteravond was ineengedoken van angst en veegde de resten van slaap en opgedroogde tranen uit haar ooghoeken.

Het licht kwam uit een lelijke glazen stolp aan het plafond van het grote kale vertrek waarin ze lag.  Aan de deur stond een vrouw van een jaar of veertig.  Ze zag eruit als iemand die gebukt ging onder de lasten van een niet al te fortuinlijk leven : licht gebogen rug, grote wallen onder de ogen, grijze strepen doorheen haar vormeloze kapsel.  Toch slaagde de vrouw erin een glimlach naar het meisje te werpen.  Ze zette een dienblad met brood, confituur en koffie neer en kwam dichterbij.

‘Wees niet bang, meisje, ik zal je niets doen,’ zei ze zonder veel overtuiging.

De jonge vrouw onderdrukte de pijn in haar rug en de stijfheid van haar ledematen, en schraapte haar keel.  ‘Wie bent u?  Waarom ben ik hier?  Waar ben ik eigenlijk?  Wat gaan ze met mij doen?’

‘’Mijn god, je bent mooi,’ mompelde haar bezoeker tegen zichzelf.  En dat was waar : de jonge vrouw had alles wat mannen maar begeerlijk konden vinden.  Ze had het soort uiterlijk en charme dat je voornamelijk in modebladen en in je eigen verbeelding tegenkomt.

‘Ik zal je alles vertellen wat je maar wilt.  Maar zeg me eerst eens, wie ben je?’

‘Ik ben Kayla Mystrél Syana na-Kelnrod Úndraga da Djorglon, mevrouw.  Mijn vader is de grote koning van Djorglon, en ik ben zijn jongste dochter.  Ik ben Kayla ni-Sender, prinses van Djorglon.  En wie bent u, als ik zo vrij mag zijn, mevrouw?’

Het was maar goed dat Vivian – want zo noemde de andere vrouw – haar dienblad al had neergezet, want anders was het nu vast en zeker uit haar handen gevallen.  Ze staarde de jonge schoonheid enkele ogenblikken zonder fatsoen aan.  Een prinses?  Niemand had haar in tien vervloekte jaren ‘mevrouw’ genoemd …

‘Eh, noem mij maar Vivian …  Hoogheid.’  Ze slikte moeizaam.  ‘Bent u echt prinses?’

‘O ja, hoor.  Maar staat u me toe – u mag mij Kayla noemen, als u wilt.’  Toen liet haar natuurlijke gezag haar even in de steek.  ‘Waar ben ik?  Wat is er met mij gebeurd?’ piepte ze angstig.  Het leek even alsof ze opnieuw in tranen zou uitbarsten.

‘Wel, schat, je bent hier in één van de huizen van Vincent.  Hij was niet altijd zo, weet je …  ooit was hij jong en rebels, vocht hij op alle mogelijke manieren tegen de armoede en de ellende waarin wij leefden …  Nu is hij gewoon gemeen en slecht.’

‘Vincent?’ vroeg Prinses Kayla angstig.

‘O god, je hebt er echt geen idee van hoe erg je in de shit zit, hé meid?’  Vivian begon op dreef te geraken en vergat haar ontzag.

‘Vincent is de lokale mafia, zeg maar.  Drugs, prostitutie, overvallen, …  Als hij het niet doet, heeft niemand het ooit gedaan, ga daar maar vanuit.  Wie weet wat hij met jou van plan is?  Een lijf als dat van jou kan heel wat poen opbrengen in deze buurten, weet je?  Ik denk dat hij je eerst even voor zichzelf zal willen, aan mij komt hij al jaren niet meer aan hoor.  En dan?  De straat op?  Ik weet het niet, maar je zal er geen greintje plezier aan beleven, dat kan ik je wel vertellen.’

De prinses huiverde.  Nu besefte ze dat ze inderdaad dik in de rats zat.

‘Luister eens kind – ik zou dit eigenlijk niet mogen zeggen.  Maar ik ben het hier spuugzat.  Vincent, zijn praktijken, die klootzakken die hier heel de dag rondhangen en mij afbekken alsof ik een stuk vuil ben – alles.  Als je wilt, zal ik je proberen te helpen.’

Kayla glimlachte.

‘Nee hoor, Vivian, dat is niet nodig.  Mijn geliefde, prins Loran van Kemalië, is vast al naar me op zoek.  Hij is een echte held, en hij zal me komen redden, daar ben ik zeker van.’

‘Jezus Christus, je bent echt niet van hier, hé prinses, of wel soms?  Wat denk je dat Vincent zal doen wanneer jouw Schwarzenegger hier voor de deur staat en de held komt uithangen?  Hij zal hem in stukjes scheuren, schat, dat is wat hij zal doen.  En hoe denk je dat hij je zal vinden?  Of kent hij de buurt hier soms?’

‘Eh, nee, vast niet, maar …  Hij zal alles doen om mij te redden.  Hij is fantastisch, hoor.  Ik kan toch niet zomaar weggaan terwijl hij zijn leven op het spel zet om mij te komen bevrijden?  Daarbij, ik zou zelf toch nooit kunnen ontsnappen?  Nee, ik moet dapper zijn en hier op hem wachten.  Zo hoort het toch?’  Kayla was een beetje in de war; dit was per slot van rekening de eerste keer dat ze ontvoerd werd en ze had dus nog niet veel ervaring met Heldhaftige Reddingen.  Was haar oudere (en driemaal gekidnapte) zus hier maar, die had haar vast op het rechte pad kunnen houden!

‘Meisje toch,’ zuchtte Vivian.  Haar ogen straalden pijn uit ; de lamp aan het plafond wierp haar schaduwen meer dan levensgroot tegen de muren.

‘Meisje toch,’ herhaalde ze.  ‘Zie je dan niet wat er met mij gebeurd is?  Zie je dan niet wat er gebeurt als wij ons leven volledig in de handen leggen van de mannen die het opeisen?  Heb je dan nooit van feminisme, van de ‘nieuwe vrouw’ gehoord?  Je hoeft je toch niet als een hulpeloos schaap over te geven aan die prins van je, al was hij Harrison Ford?  Zie je dan niet dat je je leven in eigen handen moet nemen als je er iets van wilt maken?  Ik heb het niet gedaan, en kijk naar me …’

Ze draaide zich om, vluchtte struikelend de kamer uit.  Maar iets van haar pijn bleef in de kamer hangen en vergrootte Kayla’s vertwijfeling nog.

 

 

!!!!

 

 

Misschien heb je nagedacht over de duistere vermoedens die tovenaar Morthagorn koesterde : dat er met hem en zijn collega’s wellicht ook anderen waren gekomen.  Anderen, die met minder goede bedoelingen kwamen …

 

Arth’s intuïtie liet hem zelden in de steek, jammer genoeg ook nu niet.  Als gehoorzamend aan de ongeschreven wetten van het sprookje, was ook Yarnak Zorn, de zwarte heer van Anweg, ‘hier’ ontwaakt.  Hij was een grote, ontzag inboezemende man, sterk als een beer en duister als de nacht.  Hij stond op een lage heuveltop, enkele mijlen van de buitenwijken van de grote stad gelegen.  Zijn lange zwarte haren wapperden in de wind.  Peinzend liet hij zijn scherpe haviksblik het terrein in zich opnemen.  Yarnak Zorn was een groot heerser, die met zijn geduchte oorlogsmacht en zwarte magie de heren van de omliggende streken angst inboezemde.  Nu leek hij echter op een vreemde plaats beland te zijn, zonder soldaten of slaven.  Hij streek met zijn handen door zijn knappe maar strenge gezicht en wierp vermoeidheid en weifeling als een hinderlijk kledingsstuk van zich af.  Hij was Heer van Anweg, en dergelijke bekommernissen waren hem niet waardig.

Nu, eerst en vooral had hij een onderkomen nodig, dat was duidelijk.  Dit was een geschikte plek : afgelegen en toch dichtbij.  Hij hield erg van de burcht die hij in Anweg had laten optrekken en hij was van plan om hier iets soortgelijks neer te toveren.

 

Toen begon het te regenen.  Evenals Arth in Erik’s auto, vloekte Yarnak Zorn.  Maar zoals gezegd, hij was Heer van Anweg, en dergelijke zaken waren beneden zijn waardigheid.

 

 

!!!!

 

 

De winkelbel rinkelde luid toen Heer Fredo de Galende de deur opende en verlekkerd naar de toog beende.  Een oudere heer was een wankele poging aan het ondernemen om z’n favoriete tijdschrift op een iets te hoog rek te bereiken en achter de balie stond een slecht opgemaakte winkeljuffrouw verveeld te wachten ; verder was de zaak leeg.

‘Ik wil zo’n chocoladereep.  En een doosje van die sigaren,’ sprak Heer Fredo.

Het meisje nam de gevraagde artikelen en legde ze voor haar op de toonbank.

‘Dat is dan tweehonderd zevenentachtig frank alsjeblief, meneer,’ zei ze.  Een waterige glimlach poogde de verveling van haar gelaat te strijken, maar staakte de strijd in minder dan geen tijd.

‘Eh – ik heb geen geld,’ merkte de markies vol verontwaardiging op, alsof de wereld hem persoonlijk had beledigd door hem in deze vervelende situatie te laten belanden.

‘Dan kan ik u niets verkopen, meneer,’ weigerde het meisje nog even toonloos.  Zo kreeg ze er wel meer over de vloer.

De Heer van Galende staarde haar verbijsterd aan.  Ze weigerde hem?  Hij brieste van boosheid.

‘Als je mij m’n spullen niet wil geven, verander ik je in een kikker!’ blafte hij, door loutere woede niet in staat iets originelers te bedenken.

Op dat moment kwamen de andere tovenaars binnen.

‘Ga weg, engerd!’ gilde het winkelmeisje tegen de markies.

‘O nee,’ mompelde Arth tussen z’n tanden.

Fredo van Galende hief zijn arm hoog op en brulde een formule.  Op slag veranderde het meisje in – o nee, geen kikker.  Bovenop de toonbank prijkte een hoopje vieze, etterige blubber in de meest vreselijke kleuren.  Uit de blubber rezen twee lange voelsprieten met twee zielige, verschrikte oogjes erop.

Het oude heertje liet zeshonderd kilo siliconen en dertig vierkante centimeter bikini uit z’n handen vallen en voelde een ernstige hartklopping opkomen.  Hij wees naar het slijmwezen met die griezelige voelsprieten, niet in staat om iets te zeggen.

Met twee grote stappen beende Arth Morthagorn de winkel door.  Hij was nu weer helemaal Hoogmagus Extraordinarius van de Veelgestaltige School voor Arkane Duiding, en alle edele trots ten spijt kromp Heer Fredo ineen van schrik toen de vertoornde tovenaar op hem afstormde.

‘Fredo!  Jij hersenloos stuk uitschot uit de meest verdoemde hellekrochten van de onderwereld!  Jij arrogante dwaas!  Jij ziekelijk hoopje braaksel van een bezopen Sater!  Waardeloze, pathetische, ijdele sukkel die je bent!’  Als hij hier niet had moeten onderbreken om hijgend naar adem te happen, had Arth ongetwijfeld nog uren kunnen doorgaan – zoals u al weet, was hij een erg welbespraakt man.  Maar een korte adempauze was voldoende om hem weer enigszins tot redelijkheid te brengen.

‘Naar buiten, stuk onbenul!’ schreeuwde hij, al voldoende bedaard om onder de wettelijke normen voor straatlawaai te blijven.  ‘Jullie ook!’ riep hij tegen de anderen.

‘Gurden, kan jij deze knoeiboel even rechtzetten?’ vroeg hij, en volgde toen de anderen, de winkel uit.

Gurden Jinslev da Serelenka streek door zijn grijze haren en schudde vermoeid het hoofd.

‘Wat een knoeiboel, inderdaad,’ mompelde hij.  Toen hief hij op zijn beurt zijn handen en mompelde iets dat het oude heertje als Chinees in de oren klonk.  Spookachtig geel licht begon rond het hoopje blubber te wervelen.  Luttele seconden later trok de gele nevel op.  Een volmaakte groene kikker zat een beetje droevig bovenop het bewuste doosje sigaren.  Tovenaar da Serelenka knikte goedkeurend en verliet de winkel.

Tien minuten later werd de oude man met de ambulance weggevoerd wegens acute hartstilstand.  Men was het er algemeen over eens dat de schaars geklede dames in het opengeslagen pornotijdschrift teveel waren gebleken voor zijn bejaarde hart.

 

 

!!!!

 

 

‘Dit kan zo niet meer, jongens,’ zei Arth.  Ze waren met z’n allen op een bankje gaan zitten om wat te bekomen van alle hilariteit.  ‘We hebben geluk dat Gurden de zaak heeft kunnen rechtzetten, maar we moeten oppassen.  We kunnen maar beter niet te veel opvallen.’

Hierop mompelden alle magiërs vage instemmende dingen en beloofden plechtig dat ze hun best zouden doen om niet meer op te vallen.  U zou ze wellicht hebben uitgelachen als u hen daar zag, want ze waren van nature even onopvallend als olifanten in een kippenhok, maar de oprechtheid van hun voornemen was onkreukelbaar.  Zelfs het berouw van Heer Fredo leek eerlijk.

‘We hebben geld nodig, zoveel is duidelijk,’ zei Mindra.  Hij wilde namelijk graag nieuwe kleren gaan kopen en was bovendien even hongerig als zijn collega’s.

‘Daar kan ik je wel mee helpen,’ zei Gurden.  ‘Ik heb iets over geld gezien op die computers in de bibliotheek.  Ik kan er wel wat maken, denk ik.’

Na enkele minuten concentratie keek Gurden met een glimlach op.

‘Hier is het,’ zei hij, en terwijl hij sprak, hop!, daar verscheen een gevarieerd bundeltje bankbiljetten in zijn handen.

‘Goed,’ sprak Arth tevreden, overtuigd dat hij de situatie nu onder controle had, ‘laten we het eens proberen.’

Hij stapte met de anderen naar een hotdogkraam, bestelde ‘zes van die vettige dingen alstublieft’ en duwde de hotdogverkoper met een gulle grijns een paar biljetten in de handen.  Die keek ernaar en keek toen naar Arth, op een manier die suggereerde dat Arth erin geslaagd was om erg opvallend te zijn.

‘Wat is er?’ panikeerde Arth.  ‘Is het niet genoeg?’  Hij maakte aanstalten om de man nog wat geld toe te stoppen.

‘Eh, dit zijn euro’s, meneer,’ stamelde de verkoper.  ‘Die komen pas volgend jaar in omloop, ziet u?  Ze zijn nog niet geldig.’

Boos keek de tovenaar naar Gurden Jinslev da Serelenka.  Die haalde zijn schouders op.

‘U kan ze wel inwisselen bij de bank, denk ik.  Daar, het grote gebouw op de linkerhoek van het kruispunt,’ wees hij.  ‘Neemt u de hotdogs maar mee, heren.’

‘O, wat vriendelijk, meneer, dankuwel.’  Arth maakte zich snel uit de voeten, gevolgd door zijn kompanen.  Geen van hen had gezien dat de slordige vijfhonderd euro’s waarmee Arth had proberen te betalen, ondertussen in de broekzak van de hotdogverkoper waren beland.  Dat zou volgend jaar alvast een mooie bonus worden …

 

 

!!!!

 

 

Zelfs voor de zwarte heer van Anweg was het bezweren van een toverburcht een verdomd zware klus.  Toen hij ermee klaar was en een uurtje of twee had uitgepuft, besloot hij dat het tijd was voor een verzetje.  Hij zou naar de stad gaan en er een vrouw opeisen om aan zijn verlangens tegemoet te komen.  Eigenlijk had Yarnak Zorn beter moeten weten – hij wist ook beter – maar zijn drang was groter dan zijn gezonde verstand, en haastige begeerte zette de strenge krijgsheer ertoe aan zich met zijn laatste krachten naar de stad te toveren, terwijl dat, gezien zijn uitputting, niet zo verstandig was.  En tot overmaat van ramp bezwoer hij ineens een magisch ros, een groot zwart paard uit onheilige werelden – hij had per slot van rekening een reputatie hoog te houden.

Felle steken van pijn gilden doorheen zijn geest zodra hij materialiseerde in een of andere achterbuurt, en het had hem niet mogen verbazen – het verbaasde hem ook niet, en hij vervloekte zijn begeerte.  Maar op de ene of de andere manier maakte zijn barstende hoofdpijn hem nog onstuimiger van woede (hoewel hij eigenlijk al heel blij mocht zijn dat zijn dwaze toverij niet ergens halverwege de bezwering z’n geest in hele kleine stukjes had gescheurd).

Ziedend van razernij gaf hij zijn zwarte hengst de sporen en galoppeerde de straat ondersteboven …

Al snel kwam hij in een straat vol sfeervolle lampjes, waar bovendien rondborstige vrouwen als vermoeide koopjes in trieste vitrines zaten te wachten op ‘klanten’.  Een derderangs hoerenbuurt – precies waarnaar hij op zoek was!

Zodra hij een vrouw naar zijn zin zag, liet de Heer van Anweg zijn helleros steigeren – het brieste en naar zwavel stinkende damp spoot uit de neusgaten van het opgejaagde beest – en met één klap van zijn machtige hoeven sloeg het de vitrine aan diggelen.  Zogauw de voorpoten van de vurige hengst de grond raakten, bukte Yarnak Zorn zich en sleurde de verschrikte vrouw aan haar arm omhoog.  Ze gilde en krijste toen hij haar voor zich op het paard dwong en het nogmaals de sporen gaf, maar het mocht niet baten.

Zo stormde de Zwarte Heer doorheen de achterbuurten van de stad, zich aan gevloek noch getoeter storend.  Zijn slachtoffer was ondertussen gekalmeerd – ze was een vrij robuuste vrouw met schreeuwend ros haar, een schattig kuiltje in haar kin en erosvruchten die een neolithische moedergodin niet zouden hebben misstaan.  En gelukkig had ze geen idee van de snode fantasieën die haar ontvoerder koesterde.

 

Zo galoppeerde de zwarte tovenaar doorheen de steegjes, sloeg abrupt een hoek om, miste op een haar na een bejaarde dame met een overladen boodschappentas, vernielde drie stilstaande wagens – kortom, hij gedroeg zich zoals het iemand van zijn status past.  Zijn haren wapperde in de wind, hij had zijn prooi stevig vast, mensen schreeuwden en vluchtten voor hem uit – hij voelde zich goed.  Zo meteen zou hij de poorten passeren en de stad uitrijden, en dan was ze helemaal voor hem.  Dan zou hij deze lange, vermoeiende dag eindelijk met het verdiende genot en plezier afsluiten.

Dus reed hij nog een tijd rechtdoor, stak een kruispunt over en kwam aan een park, dat hij na enige aarzeling binnenreed.  Daar struikelde zijn paard tweemaal over een uitstekende boomwortel, het trapte een klein hondje dood dat net de uitwerpselen van een soortgenoot aan een kritisch onderzoek onderwierp, en een slecht ingeschatte bocht deed het hellewezen bijna tussen de eendjes in de vijver belanden, waar koel water wellicht het duivelse vuur in z’n ingewanden zou hebben geblust.  Het dier was duidelijk vermoeid, maar Yarnak Zorn duldde geen vertraging.  Hij sprong over een haag en kwam zo weer op de openbare weg terecht.  Ditmaal bevond hij zich op een drukkere straat vol mensen en winkels.  De massa stoof uiteen toen hij in volle vaart over de winkelstraat denderde.

Maar er leek maar geen einde aan te komen : kleren, schoenen, kleren, schoenen, kleren, kleren, kleren, schoenen, …  Het shoppingparadijs bleek een ware nachtmerrie.  De Heer van Anweg begon erg geïrriteerd te geraken.  Hij onthoofdde een standbeeld en stak en passant een groep straatmuzikanten in brand, maar het vermocht zijn groeiende humeurigheid niet te verhelpen.

Toen hij daarna weer een zijstraat insloeg, zelf bijna onder de voet gereden werd door een vrachtwagen vol tomaten, en direct in een andere winkelstraat aankwam, werd het hem teveel.  Waar bleven die vervloekte poorten?  Yarnak Zorn was gewend als Lucifers hete adem doorheen steden te razen, ze te doen rillen onder zijn terreur en triomfantelijk de stad weer buiten te stormen.  Maar aan dit vervloekte oord leek geen eind te komen.  Zijn helleros begon steeds luider te hijgen, zodat de zwavelstank bijna ondraaglijk werd, en de roodharige vrouw voor hem leek helemaal niet meer onder de indruk – eigenlijk gaf ze de impressie elk moment in slaap te kunnen vallen.

Plots weer vol vuur gaf de zwarte tovenaar haar een gemene klap, slaakte een kreet die de dichtstbijzijnde ruiten in scherven deed uiteenspatten, en joeg zijn tempo weer de hoogte in.

Aha, voor hem stond een hoge boog die de weg ver boven zijn hoofd overbrugde!  Hij passeerde de boog, een historisch monument uit lang vervlogen tijden – en zag dat er niets was veranderd.  Voor hem lag het parkeerterrein van een grote supermarkt, links was een winkelstraat met een grote schoenenzaak op de hoek, en rechts leidden tramsporen naar onvermoede buitenwijken.

Het werd Yarnak Zorn teveel – hij kon het niet meer aan.  Met een bittere grauw smeet hij het hoertje van z’n paard.  Al z’n verdrongen vermoeidheid kwam plots terug en maakte dat zijn ogen gingen tranen, hij kon nauwelijks nog zien.  Hijgend alsof hij z’n rijdier wilde overstemmen, dwong hij het beest voetje voor voetje vooruit, wegglijdend in de verschrikking van een ware nachtmerrie.

 

Een hele tijd later kwam de magiër weer bij zijn positieven.  Hij was het paard ergens onderweg kwijtgeraakt, maar hij leek niet meer zo ver van zijn burcht te zijn.  Hij herkende een dorpje dat nu aan z’n linkerkant lag : het was nog een mijl of drie naar zijn nagelnieuwe optrekje.

 

Toen Yarnak Zorn de allerlaatste bocht nam die hem eindelijk naar huis zou leiden, wachtte hem alweer een onprettige verrassing.  Hij was al volop aan het dromen van een warm bad en een hele lange nachtrust, toen hij een ronkend gevaarte voor z’n kasteel zag staan en mannen hoorde roepen.  Jawel, daar stond een bulldozer, klaar om tot actie over te gaan, en mensen waren ijverig aan het schrijven.

‘Wat heeft dit te betekenen?!’ snauwde hij vervaarlijk tegen de eerste de beste.  De ongelukkige in kwestie was een magere, baardige man.  Hij schrok onwillekeurig terug van Yarnak’s dreigende stem.  De Heer van Anweg had dan ook meer dan een halve eeuw ervaring in het bedreigen van mensen, en al die praktijk had vrucht afgeworpen ; bovendien had hij de meeste van zijn dreigementen ook daadwerkelijk uitgevoerd, en dat hielp ook.  Hij was erg overtuigend.

‘Wel meneer,’ antwoordde de beambte bedeesd, ‘is deze residentie uw eigendom?’

‘Ja,’ stemde Zorn toe.  Op dat moment kwamen enkele andere mannen hun collega helpen.

‘Ik weet bij God niet hoe dit kasteel hier zo snel is opgetrokken, meneer,’ sprak een gezaghebbende man, ‘maar het staat op natuurgebied.  Dus moet het zo spoedig mogelijk weer afgebroken worden.’

‘Wat?!’ blafte de zwartmagiër, vastbesloten dat dat niet zou doorgaan.  In stilte vervloekte hij deze dag en alles wat hem was overkomen.  Hij vervloekte de wereld in het algemeen – kwestie van zeker niets te vergeten.

‘Ziet u, meneer,’ viel weer een andere ambtenaar in, ‘u moet een vergunning aanvragen voor u bouwt, dat weet u goed genoeg.  U heeft geen vergunning aangevraagd.’

Een vergunning?  Dat was een woord waar Yarnak Zorn op spuwde.

‘Ik heb een vergunning nodig?’ herhaalde hij koud, maar hij miste de kracht om overtuiging in zijn woorden te leggen, zozeer was hij van streek geraakt.

‘Ja natuurlijk, sufferd, hier broeden bedreigde vogels, weet je wel?!’

Dat was er te veel aan, de tovenaar voelde dat er iets in hem ging barsten.  O, hij had die zes mannen met een knippering van zijn oogleden kunnen doden, maar hij was zo op, zo moegesard door zijn persoonlijk noodlot, dat het hem aan energie ontbrak om er genoeg enthousiasme voor te kunnen opbrengen.

Ten einde raad veranderde hij met een onstuimig gebaar de bulldozer in een wit konijntje, zozeer was hij van de kook, en toen stormde hij gillend zijn burcht binnen, waar hij halverwege de binnenplaats bezweek.

 

Van de zes betrokkenen bleef er maar één even staan om het bedeesde konijntje op te pakken, daarna spurtten ze zonder ophouden de hele weg naar het dorp terug.  Drie van hen hadden psychotherapeutische begeleiding nodig.  Eén van de anderen nam het konijn in huis en verzorgde het hartstochtelijk : het mocht zelfs in de woonkamer slapen.  Toen drie dagen later de betovering vervloog, ontbrak het hem alleszins niet aan middelen om het puin te ruimen.

 

 

!!!!

 

 

Arth Morthagorn was nog steeds met zijn collega’s op pad.  Ze hadden net te horen gekregen dat ze met hun euro’s niet konden betalen, maar een vriendelijke man had hen doorverwezen naar de bank.  Arth hoopte dat ze daar geld konden krijgen, zodat ze zich onopvallend wat eten en andere spullen konden aanschaffen.

Zoals de meeste banken had ook de SAD een building opgetrokken die groot was, erg lelijk, en een gigantische draaideur had.

‘Kom Arth, schiet op!’ spoorde Bertel de tovenaar aan.  ‘Ik heb honger, hoor!’ voegde hij er grijnzend aan toe.  De hotdog die hij onderweg had verorberd, had hem eigenlijk alleen maar hongeriger gemaakt.

Arth bromde voor de vorm iets verontwaardigds en snelde toen de draaideur in ; als bij wonder geraakten alle magiërs er in één keer door, zonder ongelukken.

Toen ze binnenkwamen zagen ze een vrij grote hal met een rij loketten aan de ene kant en vooral deuren aan de andere.  Heer Fredo wilde juist vragen of het normaal was dat er zoveel mensen in aanbidding op de grond waren neergevallen, of zich krampachtig tegen de muur hadden gedrukt, toen een gemaskerde man een ijzeren dingetje naar hen richtte en schreeuwde :

‘Kop dicht en op de grond, idioten!’

Een vuurwapen, dacht Arth, maar hij wist niet wat dat was, en erg gevaarlijk zag dat kleine gadget er niet uit – er was in elk geval nergens vuur te zien.  Dus slikte hij zijn trots niet in.

‘Wie denk je wel dat je bent?  Waar bemoei je jezelf mee?  Wij komen hier geld halen!’ riep hij.

Een ogenblik leek de gemaskerde man verbaasd, alsof hij de situatie niet begreep.  Toen herpakte hij zich.  Terwijl zijn drie kompanen zenuwachtig toekeken, riep hij opnieuw :

‘Op de grond!  Nu!’

Nu was Arth een man met eergevoel, en hij liet zich dan ook niet zomaar beledigen.  Hij stak parmantig zijn kin naar voren en sloeg de overvaller zo hard in het gezicht dat die bewusteloos tegen de grond ging.  Een geknevelde loketbediende begon te gillen.  Toen draaiden twee van de drie overgebleven gangsters zich naar het groepje magiërs toe en vuurden met hun machinegeweren een knetterend salvo af op de tovenaars.

Kogels, wist Arth.  Maar hij begon het stilaan beu te worden zich al die vervelende dingen te herinneren zonder ze te kennen, en hij had er geen flauw benul van wat kogels werden verondersteld te doen, dus negeerde hij ze botweg.  Met rasse schreden beende hij op de gangsters af, gevolgd door zijn collega’s.  De bandieten wisten niet waar ze het hadden en bleven hardnekkig schieten, maar de magiërs verwaardigden zich niet aanstoot te nemen aan hun vuur.

Tot een kogel Mindra van Karnek op het puntje van zijn neus raakte en hem een jeukende pijn bezorgde die hem nog twee dagen zou kwellen, een soort van reuzemuggenbeet, zeg maar.  De afwezige magiër had de mannen tevoren nauwelijks opgemerkt, hij volgde gewoon de anderen, maar nu werd hij plots heel erg kwaad.

Hij sprong vooruit en voor de eerste overvaller kon wegspringen, gaf Mindra hem een dreun die hem languit achterover deed gaan.  Een fractie van een seconde later ging de volgende gangster knockout.

Toen verminderde de pijn enigszins en Mindra kalmeerde.  Een ogenblik lang keek hij verbijsterd naar de twee bewusteloze mannen aan zijn voeten alsof hij niet kon geloven dat hij dat gedaan had.

‘Ahum,’ kraste hij ongemakkelijk, ‘dat was misschien enigszins overdreven van me.’

Hij keek schichtig rond.  Zijn collega’s keken hem lichtjes achterdochtig aan ; de meeste andere aanwezigen dachten dat ze gek waren geworden of begonnen luidop te bidden.

‘Sorry,’ mompelde Mindra tegen niemand in het bijzonder.  Toen keek hij de laatste overvaller aan.  Die had zijn wapen neergegooid en zijn handen in de lucht gestoken.  Hij leek banger dan eender wie in het bankfiliaal.

‘Maak je geen zorgen,’ zuchtte Mindra.  ‘Ik zal je niets doen.  Sorry, dat was niet mijn bedoeling’.  Hij wuifde naar de bewusteloze mannen.

De laatste gangster zette het op een lopen en spurtte naar buiten.

 

‘Nou,’ begon Arth na een ongemakkelijke stilte, ‘dat is dan ook weer opgelost.’  Hij keek de bediendes achter de loketten met een vriendelijke glimlach aan.

‘Wij willen graag geld,’ begon hij.  Prompt stak iedereen zijn handen weer in de lucht.  Arth was een ogenblik met stomheid geslagen.  Toen streek hij met z’n handen door z’n haar.

‘Ach, laat maar zitten,’ fluisterde hij vermoeid.

De tovenaar draaide zich om en rechtte met moeite zijn rug ; hij leek plots erg oud. Hij stapte de winkel uit, en zijn vrienden volgden hem zonder dralen.  Mindra liet niet na nog even vriendelijk naar alle aanwezigen te glimlachen.

 

 

!!!!

 

 

Kayla ni-Sender, de mooie prinses van Djorglon, had een hele dag lang gewacht en nagedacht – gewacht op Heldhaftige Redding, en nagedacht over de woorden van Vivian.  En tot haar eigen grote ontzetting was haar enthousiasme over haar dappere prins plots erg geslonken ; gered worden door een koene krijgsman op een wit ros leek niet langer de vervulling van al haar verwachtingen te beloven.  De prinses panikeerde bijna bij zoveel rebellie tegen de gevestigde waarden van het sprookje, ze nam zich voor nogmaals met Vivian te praten wanneer de kans zich voordeed.  Ergens hoopte ze zelfs niet gered te worden voor ze de kans kreeg uit te vissen wat al dat gedoe over zelfstandige vrouwen te betekenen had.

Niet veel later deed die gelegenheid zich inderdaad voor : Vivian kwam Kayla Mystrél Syana een karig avondmaal brengen.  Worteltjessoep, brood, kaas en melk : niet bepaald een koninklijke maaltijd, maar toch leek het voor de hongerige prinses een feestmaal.  Ze viel onmiddellijk op het eten aan, en tussen twee happen door – o, wat een schandelijke aanfluiting van de hoofse etiquette! – overviel ze de oudere vrouw met haar ongeduldige vragen.

‘Vivian, misschien wil ik toch een zelfstandige vrouw worden.  Wat houdt dat precies in?’ vroeg ze, en blies ondertussen op de te hete soep.

‘Het is alles wat ik niet ben,’ antwoordde Vivian, maar er verscheen een heel klein glimlachje op haar gezicht.

‘Voor ik het vergeet, prinses, Vincent komt je morgen tegen het middaguur een bezoekje brengen.  Nu … waar zal ik beginnen?’

Toen sprak Vivian over vrijheid en gelijkheid, over zelfstandigheid en initiatief, over emancipatie en onafhankelijkheid.  Ze sprak met een passie die niemand haar zou hebben nagegeven, en toen ze haar verhaal afrondde en zich opmaakte om Kayla ni-Sender te verlaten, was de zon al ondergegaan en had de maan haar plaats ingenomen.

Voor Kayla werd het nog heel wat later : ze lag nog uren te piekeren over de woorden van haar gesprekspartner maar viel tenslotte toch nog in slaap.

 

 

!!!!

 

 

 ‘Erik, moet dit echt?’

De fotograaf onderbrak zijn gepruts aan een weerbarstige lens en keek op.

‘Erik, dit ding staat me echt niet.  Ik wil het helemaal niet aandoen.’  Alesha zwaaide met een vreemdsoortige zwarte broek die haar kennelijk niet beviel.  Ze was een betoverend mooie jonge vrouw – waarom alle vrouwen in dit verhaal betoverend mooi moeten zijn?  Vast een mannelijke schrijver, merkt u afkerig op?  Lieve lezer, u zou toch behoren te weten dat in sprookjes de enige lelijke vrouwen stiefmoeders en heksen zijn, en Alesha was geen van beide.  Maar evenmin was ze een prinses uit een idyllisch koninkrijkje, als dat een troost mag zijn.

Nee, ze was model, en een erg goed model ook.  Erik van Londen werkte erg graag met haar en had stiekem een kleine crush op haar, al zou hij het nooit hebben toegegeven.  Hij hield van haar gevoel voor humor en van haar opstandigheid, van haar zwakte voor groentensap en koekjes met chocolade, van haar vermogen tot ontroering en van haar karakter in het algemeen.  O ja, en nu we het toch over haar aantrekkelijkste kanten hebben, hij hield toch ook een beetje van haar schoonheid.  Want, zoals ik al zei, Alesha was uitzinnig mooi ; ze beantwoordde aan geen enkel cliché, maar toch leek haar uiterlijk, in al z’n spontaniteit en natuurlijkheid, als gezegend door één van de bevoegde godinnen.

Ze gooide de broek in kwestie neer op een argeloze stoel en bracht toen een paar weerbarstige blonde haarlokken weer in het gareel.  Een ogenblik lang keek ze fronsend naar de kleren die nog op haar lagen te wachten.  Toen draaide ze zich om naar de fotograaf.

‘Misschien kunnen we de rest beter voor morgen houden, ik kan me toch niet meer concentreren.  Heb je geen zin om een wandelingetje te maken, Erik?  Dit lijkt me een hele mooie stad.’

De fotograaf wilde niets liever.  Hij stemde gretig toe.

‘Oké, dan kleed ik me snel weer om.  Geef me vijf minuutjes,’ kondigde ze opgewekt aan.

 

 

!!!!

 

 

Een tijdje lang dwaalde het groepje magiërs doelloos doorheen het stadscentrum.  Langzaamaan begon de zon weer te zakken ; de avond kwam eraan.  Toch ging de bedrijvigheid in de stad gewoon door.  Toen de tovenaars het wandelen moe werden, gingen ze op een bank op een pleintje zitten en luisterden naar een groepje muzikanten dat met matig succes probeerde de voorbijschuifelende mensenstroom te bekoren.  Wat duiven fladderden over het plein op zoek naar etens- en andere resten, zo nu en dan opgeschrikt door een enthousiast gillende peuter die even aan het ouderlijke gezag ontsnapt was.

‘Dat is het!  Ik weet het!’ schreeuwde Bertel plots en hij sprong onstuimig recht.  Geroutineerd stoven de duiven weg.

‘O jee,’ mompelde Heer Fredo, maar Bertel negeerde hem.

‘Waarom maken wij ook niet wat muziek?  Zo verdienen we in minder dan geen tijd ons avondeten!  En ik durf wedden dat het nog best lollig is ook!!’

Het lijkt misschien vreemd, maar geen van de andere tovenaars gaf een kik.  Allemaal keken ze met ingehouden adem naar Arth, die al een kwartier lang naar de vitrine van de snoepwinkel aan de overkant van het pleintje staarde.

‘Ach wat,’ bromde die tenslotte.

‘Wil je dan iets zingen, Arth?’ waagde Bertel voorzichtig – hij zat het verst van Arth vandaan, helemaal aan het andere uiteinde van de bank.

‘Ach, waarom niet?’  Arth zuchtte.  ‘Goed, misschien kan ik iets zingen.’

‘Uitstekend!’ riep Bertel.  ‘Misschien kunnen we die mensen vragen of we hun instrumenten mogen lenen.  Ze brengen er toch bitter weinig van terecht.’

Dus begaven de tovenaars zich naar het groepje muzikanten, en zodra Arth de rest van zijn bundeltje euro’s in hun gitaarkoffer had gelegd, bleek het lenen van instrumenten geen probleem meer.

Al snel bleef er wat volk staan bij het troepje magiërs – niemand wist wat te verwachten, maar de tovenaars trokken – ondanks hun inspanningen om onopvallend te zijn – erg de aandacht.

Toen ze zich zo’n beetje geïnstalleerd hadden – Bertel met een stel drums, Mindra met een gitaar, Sonder een panfluit, Gurden een basgitaar en Heer Fredo een dwarsfluit – begon Arth zachtjes te neuriën.

‘Bertel!’ fluisterde Heer Fredo gespannen.  De goedlachse tovenaar keek hem vragend aan.

‘Wat is dit?’ siste de markies hem toe.  ‘Het lijkt nergens op!’

‘Het is een fluit!’ lachte Bertel.  ‘Je wordt verondersteld het uiteinde in je mond te steken en erin te blazen.  Verzin maar wat!  Nee, het andere uiteinde.’

Het publiek bestond grotendeels uit moegeshopte toeristen en misschien kan dat verklaren waarom slechts een opmerkzame enkeling verbaasd het hoofd schudde toen Mindra de snaren van zijn gitaar beroerde en Arth’s geneurie bijviel met een ruisende pianomelodie die hij even tevoren in een cd-winkel had gehoord.  Bertel lachte luid toen de vrolijke klanken het pleintje overspoelden en toverde een ritmisch deuntje uit z’n drums tevoorschijn dat nagenoeg perfecht aansloot bij het pianospel.  Gurden voegde donkere tonen toe die spraken van nacht in het diepst van de zee, en Sonder toverde een dartele fluitmelodie die schalks doorheen Mindra’s klaterende pianospel danste.  Fredo de Galende leek niet te kunnen beslissen welk instrument hij wilde laten weerklinken en ging zowat het hele standaard symfonisch orkest af – het gaf het geheel in elk geval een exotisch tintje.

Maar al was de muziek van de tovenaars, vol onmogelijke tonen en variaties zo snel dat geen menselijke handen ze hadden kunnen spelen, betoverend mooi, toch traden de melodieën van het bonte orkestje op de achtergrond zodra Arth zijn stem verhief en begon te zingen.

Zacht vormde zijn stem woordeloze tonen; ze gleden door de lucht en doordrongen ieder die zich op het pleintje bevond.  Arth zong warmte en lentezon op jong gras, en zilt smakende zeelucht, en knisperende houtvuren met bradend wild erboven.

 

Erik snoot lawaaierig z’n neus en stak zijn zakdoek weer weg.

‘Wel Alesha, wat denk je, zullen we ergens een hapje gaan eten?’ vroeg hij, zenuwachtig als een verliefde puber.

‘Hmm, wat zei je?’ vroeg de bevallige jongedame aan zijn zijde.  Ze keek hem niet eens aan.  Geprikkeld volgde hij haar blik en zag dat ze op een gezellig pleintje waren gekomen.  Aan de overkant, tussen twee nogal treurige, pas gesnoeide boompjes, stond een groepje treffende figuren muziek te maken.  Het was dat stelletje verdomde tovenaars!  Hij wilde zich weer tot Alesha wenden om haar uit te leggen wie deze zonderlinge figuren waren, maar ze leek hem volledig te zijn vergeten : haar blik was op Arth gericht alsof iemand hem daar met een punaise had vastgeprikt, en ze leek helemaal meegesleept te worden door het lied – dat absoluut betoverend was, moest Erik van Londen ondanks zijn mateloze ergernis toegeven.

 

Zonder aanwijsbare reden keek Arth op en zag Alesha staan, van hem gescheiden door een meter of twintig en een dikke muur van mensen.  Op dat moment overviel hem een gevoel dat sterker was dan alle toverij die hij kende; zijn stem stokte even, en toen schakelde hij abrupt over op een ander lied.  De andere tovenaars schudden angstig hun hoofd, maar de kracht van Arth’s stem was zo groot, zijn emotie zo intens, dat ze niet anders konden dan hem volgen en ze de meest prachtige melodieën uit hun instrumenten toverden.  Arth zong plotse hartstocht en zorgeloze speelsheid, zijn stem was diep, maar teder en warm.  Hij zong zon op verse sneeuw en de eerste nacht waarin de sterren schenen, hij zong duizend jaar sluimeren op de bodem van de zee, en boterbloemen in groen gras.  Het lied werd een verhaal en een gevoel ; het werd een wonderlijke wereld van ontroering en passie die zich als een trage vloedgolf uitrolde over al wie luisterde.  Arth’s stem trok wondermooie tonen uit de instrumenten van het orkestje en vulde de lucht met de geuren van kruidnagel en rozemarijn.  Niemand verstond de woorden die hij zong, maar het lied raakte ieders hart vooraleer het wegkabbelde en de leegte tussen de sterren opvulde.

 

Toen Arth zweeg en de muziek ophield, bleef het ettelijke momenten lang doodstil.  Toen brak er een oorverdovend applaus los ; mensen juichten, pinkten tranen weg, ledigden hun portefeuilles in Gurdens gitaarkoffer en schuifelden dan langzaam weg met een dromerige uitdrukking op hun gelaat.  Arth had enige momenten nodig om weer tot zichzelf te komen.  Toen hij zich dan eindelijk door de kleine menigte had weten te wringen, niet veel gevend om de lof die hem van alle kanten werd toegesproken, was Alesha verdwenen.  Hij keek het hele plein rond, maar ze was nergens te zien.

 

 

!!!!

 

 

‘Nou, ziet het er niet een beetje, uh, opvallend uit?’ merkte heer Fredo op.  Maar de anderen wuifden zijn bezwaren ongeduldig weg.  Ze stonden te trappelen om het restaurant binnen te gaan.  Ze hadden honger en ze vonden dat ze al lang genoeg gewacht hadden.  Bovendien had men hen verzekerd dat ‘De drie olifanten’ zonder enige twijfel het beste restaurant van de stad was, en als het dan een beetje opvallend was, so what?

Zonder nog meer tijd te verliezen, gingen de magiërs binnen en vroegen een tafel voor zes.  Ze hadden zich zonet een gloednieuwe outfit aangeschaft in een sjieke winkel waarvan de eigenaar het niet erg vond om een half uurtje langer open te blijven (en zo zijn weekomzet verdubbelde), en hoewel hun kledij in stijl en kwaliteit zeker niet moest onderdoen voor die van de andere klanten, vielen de ongegeneerde, uitbundige kleuren van hun gewaden erg op tussen al het grijs en zwart gecostumeerde cliënteel om hen heen.  De ober bekeek hen enigszins bedenkelijk, maar ik vrees dat het hen niets kon schelen.

Het was een erg gezellig en stijlvol restaurant met sfeervolle verlichting, veel groen, een grote open haard, schilderijtjes en zelfs beeldhouwwerk in overvloed, en op elke tafel genoeg zilver en kristal om een batterij gedisciplineerde afwassers bezig te houden tot in de vroege uurtjes.  Zowel de klasse als de kitch die de prijs van het eethuis deed vermoeden, waren aanwezig ; overdadig gekruld houtsnijwerk versierde menig meubelstuk, het parfum van geurende sigaren vermengde zich met de reuk van perfect gedoseerde specerijen en voortreffelijk bereide gerechten, en de ruime afstand tussen de tafels verzekerde niet alleen de olympische conditie van het bedienend personeel, maar ook de privacy en de gemoedelijkheid waar de klanten van dit o zo exclusieve establissement op gesteld waren.  En ook de meest hardnekkige naïeveling die na het zien van al dit fraais nog dacht dat een koninklijk etentje in dit gastronomische paradijs hem minder zou kosten dan de maandhuur van zijn flat aan de Spaanse kust, werd door de aanwezigheid van een apart salon voor de chauffeurs van het cliënteel wellicht attent gemaakt op de klasse (en prijsklasse) van het restaurant.

De tovenaars vonden het perfect.  Nadat ze een paar minuutjes gezellig gekeuveld hadden (ook Arth was bijzonder opgewekt, hoewel hij met geen woord repte over Alesha), kwam een van de talloze obers naar hun tafel, een gereserveerde heer in onberispelijk tenue.

‘Goede avond, heren.  Zal ik u de kaart brengen?’

Maar Arth negeerde hem en begon te bestellen.

‘Kaart?  Nee hoor.  Doe voor mij maar aubergines in een korstje met feta, roquefort en tomatencoulis als voorgerecht, en dan een lasagne van victoriabaars, zalm en verse groenten en papilotte.  En bananenbeignets met chocoladeijs om af te sluiten.’

De ober keek nogal verbaasd – al Arth’s bestellingen waren suggesties van de dag – maar voor hij een woord kon uitbrengen, begon Bertel een al even uitgelezen menu samen te stellen.

‘En voor mij, waarde heer, graag een warm geitenkaasje op sla met een honing- en notenmix als voorgerecht, schartong met geplette aardappel, groene kruiden, olijfolie en citroen als hoofdgerecht, en een dessert van crème brulée alsjeblieft.’

‘Ze schijnen evenveel van de inhoud van onze provisiekasten af te weten als ikzelf!’ dacht de ober, die zich wat je noemt van zijn stuk gebracht voelde en zich begon af te vragen of er niet een of ander naar avontuur regelrecht zijn restaurant binnen was gemarcheerd.

‘Ik open met gebakken eendenlever met gekarameliseerd witlof, sinaasappelboter en granaatappelpitjes,’ bestelde Sonder Gustavsson enthousiast, ‘en dan gegrilde hazenfilet met geroosterde pompoenmousse, eekhoorntjesbrood, pancetta, armagnacmosterd en krokante pastinaal graag, en een gratin van citrusvruchten als nagerechtje.’

‘En salade met gebakken sint-jacobsvruchten en ganzenleverterrine,’ viel heer Fredo de Galende hem bij.  ‘En gemarineerde witte tonijn in shoyu en gember met roergebakken groenten en sobanoedels.  En tiramisu als toetje!’

‘Bladerdeeg van geitenkaas met gerookte zalm, vergezeld van een frisse salade met frambozenvinaigrette!’ riep Mindra van Karnek.  ‘En daarna lamscarré met zuiderse groenten en een zachte rode pepersaus, gevolgd door geitenkaas met honing, dadels, pijnboompitten en rozijntjes op porto.’

‘Ach, en voor mij …’ Gurden Jinslev da Serelenka slaakte een vermoeide zucht.  ‘Nou, doe maar een krokant gebakken roulade van langoustines en zwezeriken met gesauteerde chinese kool, cacao en zachte curry.  Als hoofdgerecht had ik graag gegrilde entrecôte met kruidenboter en gebakken groenten, en ik denk dat ik afsluit met kruidige pannenkoekjes, gevuld met perencompôte en geitenkaas.’

De ober duizelde ervan, een onderdanig knikje was het beste wat hij kon opbrengen.

‘En welke wijn had u gewenst, heren?’ vroeg hij.

‘De beste natuurlijk, m’n jongen!’ baste Arth gemoedelijk.

 

Het duurde niet lang of de magiërs konden beginnen aan hun bourgondisch festijn.  Ze vonden het allemaal verrukkelijk en genoten van elke hap.  Gelukkig slaagde Arth erin hun enthousiasme min of meer in toom te houden, of ze waren wellicht losgebarsten in uitbundige gezangen die eerder thuishoorden in gelegenheden waar je een rondje had kunnen geven voor alle aanwezigen met het geld dat je hier uitgaf aan een glas wijn.  Toegegeven, er ontstond even enige hilariteit toen Gurden de kreeften liet ontsnappen uit hun aquarium en een stormloop inzette naar een gezelschap van bepoederde dametjes met vreselijke hoeden op, maar toen de eerste flauwviel nadat één van de schaaldieren zijn schaar in haar schoenen had gezet, veranderde Arth de kreeften snel in mosselschelpen voor iemand doorhad wat er precies aan het gebeuren was.  Misschien een wat ongelukkige keuze op het eerste gezicht, want de zwager van de aangevallen dame, die net aan het genieten was van een overheerlijk gerecht met kammosselen, werd al spoedig beschuldigd voor het geleden ongeluk (en erger nog, het geleden gezichtsverlies), en zo werd de kiem gelegd voor een familievete die over de jaren heen zou uitmonden in vele harde woorden en twee echtscheidingen.  Maar gezien de hoogdringendheid van het moment was Arth’s snelle interventie zo slecht nog niet, en al wie hem de schuld voor dit familiedrama in de schoenen wilt schuiven, moet eerst maar eens proberen om het zelf beter te doen.  Verder kregen de obers af te rekenen met bijzonder wankele glazen en schotels die voortdurend probeerden te ontsnappen, maar ze stonden uitstekend hun mannetje ; en tot slot kreeg een bejaarde dame een kleine flauwte toen de vis op haar bord plots naar haar opkeek en ‘boe!’ riep (haar man was te doof om zijn appetijt daardoor te laten verstoren), maar ook dat incidentje was met een weinig koel water en heel wat meer bezorgde woorden verholpen, en kan bijgevolg niet al te zwaar worden aangerekend.

Al bij al gedroegen de tovenaars zich dus vrij goed, en ze begonnen pas uitgelaten te zingen toen ze vele uren later weer buiten waren en een eindje rondgezwalpt hadden.  Veel luxe konden ze zich niet meer veroorloven wanneer ze eindelijk op zoek gingen naar een onderkomen voor de nacht, maar ze konden zich nog net een bed en een dak boven hun hoofd permitteren, en daar deden ze het dan maar mee.

 

 

!!!!

 

 

Bij het krieken van de dag kwam een Held op een wit paard uit de velden gereden.  Hij was een blonde jongeman in een blinkende wapenrusting van wit en goud.  Zijn gezang joeg de ochtendnevel in flarden uiteen; dappere zelfzekerheid straalde als het licht van de dageraad van hem af.  Toen hij de stad zag, herkende hij zijn bestemming.  De jongeling trok zijn zwaard en hief het hoog boven zijn hoofd ; toen steigerde zijn machtige ros, en de koene ridder slaakte een kreet die zijn heroïstische strijdlust als een heraut vooruitdroeg over de slapende weiden.  Op dat moment brak de ontwakende zon definitief door de mistige sluier die de nacht geweven had.  Prins Loran van Kemalië gaf zijn trouwe volbloed een zacht klopje op de flank, en als een pegasus schoot het dier vooruit, verder naar het zuiden de zon vooruit.

 

De dag was nog steeds jong toen de held de achterbuurten van de stad binnenreed.  Een zeldzame enkeling keek hem bevreemd na; het grootste deel van deze straten met twijfelachtige reputatie sliep echter nog.  Toen Loran van Kemalië afsteeg en aanklopte bij een na lang overwegen uitgekozen pand, moest hij dan ook even wachten voor er reactie kwam.  Een ongeschoren kerel in een verfrommeld t‑shirt en een broek waarvan de helft van de knopen nog openstonden, snokte de deur open.

‘Wat wil je?’ vroeg hij op een toon die geen twijfel liet bestaan over z’n humeur.

De prins glimlachte beleefd.

‘Ik kom mijn verloofde halen,’ kondigde hij rustig aan.  ‘Prinses Kayla ni-Sender van Djorglon.’

Hugo – de man die de deur had geopend – staarde hem achterdochtig aan.  Hij maakte aanstalten om de prins een schunnigheid toe te werpen, maar bedacht zich en smeet simpelweg de deur weer dicht.

De prins wachtte een ogenblik.  Niet alleen speelde het beleefde glimlachje om z’n mondhoeken, nu twinkelden er ook kleine lichtjes van opwinding in z’n ogen.  Strijdlust ontwaakte in de kroonprins van Kemalië.  Hij deed een paar stappen achteruit, nam een klein aanloopje en beukte de deur uit haar hengsels.

Hugo hoorde het lawaai van scheurend en splinterend hout achter zich en draaide zich net op tijd om, één hand beschermend voor z’n gezicht, om te zien hoe de blonde jongeling de krakende deur ramde.  De geharnaste zonderling stond weer voor hem, maar z’n glimlach was verbreed tot een grijns die het gezicht van de prins bijna in tweeën spleet.

‘Ik kom mijn verloofde halen,’ herhaalde hij, nog steeds vriendelijk maar met een koude ondertoon in z’n stem.  ‘En ik daag jou en je heer uit tot een duel,’ voegde hij er ridderlijk aan toe.  Toen trok hij zijn linkerhandschoen uit en smeet ze naar Hugo, die het met wit garen en gouddraad bestikte kledingsstuk in een reflex aanpakte.  Verbijsterd vluchtte hij de hal door en een trap op, vastbesloten om hulp te halen.

De dappere Held werd een minuutje rust gegund en hij benutte die om z’n omgeving aandachtig in zich op te nemen.  De hal was onverwacht groot en gaf toegang tot vele vertrekken, sommige aan het gezicht onttrokken door witgeverfde deuren.  Toen de prins alles gezien had, trok hij zijn zwaard, bewonderde een ogenblik lang het blikkerende staal en wachtte toen rustig af.  Een klein vonkje van teleurstelling ontstemde hem even toen de reactie kwam, en voorspelbaar werd bevonden.

Vijf mannen kwamen uit twee van de kamers op het gelijkvloers achter en naast hem.  Die mannen negeerde hij ; ze zouden hem niet meteen aanvallen.  Een laatste man, ongewapend en keurig opgekleed, kwam rustig de trap af en stopte enige treden voor hij de begane grond bereikte.

‘Zo,’ zei Vincent.  ‘Jij bent dus de pummel die zich de gastvrijheid van mijn huis toeëigent en het waagt mij uit te dagen.’  Zijn stem was koud, gevoelloos, steriel en snijdend als een dissectiemesje ; het was een stem die vlinders achter glas tegen de muur nagelde en jonge hondjes uit de weg schopte.

De prins negeerde ook hem een paar seconden lang.  Toen liet hij zijn blik naar de mafiabaas glijden en begon te spreken – nog steeds beleefd.

‘Je hebt tien seconden om mijn geliefde vrij te laten, goddeloze schurk.  Anders zal ik mijn uitdaging tot uitvoering brengen,’ deelde Loran van Kemalië poeslief mee.

‘O, maar ik aanvaard je uitdaging met alle plezier, dappere held van me,’ hoonde Vincent.  ‘En aangezien jij mij uitgedaagd heb, mag ik kiezen met welke wapens we zullen vechten, nietwaar?’

De prins knikte instemmend ; dat waren de regels.

‘Wel,’ siste Vincent venijnig, ‘ik kies mijn mannen!  Sla hem in elkaar!!’

Ogenblikkelijk sprongen de vijf bendeleden op hun slachtoffer af.

Wat volgde, was eigenlijk onbeschrijflijk.  Op geen enkele manier had de prins die vijf vechters zomaar kunnen overmeesteren, en toch gebeurde het.  Het ene ogenblik renden ze met z’n vijven op Loran van Kemalië af en vielen hem gezamenlijk aan, en een paar hartslagen later lagen ze alle vijf op de grond, verstrikt in een hulpeloze warboel van armen en benen en pijnlijk gekneusde lichamen.  Het leek alsof de dappere blonde god nauwelijks bewogen had ; geen krasje ontsierde zijn glanzende wapenrusting.  Hij richtte zich in z’n volle lengte op en keek Vincent opnieuw aan.

Die was behoorlijk geschrokken ; zijn ogen waren wijd opengesperd van ontzetting en z’n handen beefden een ogenblik.  Toen grauwde hij iets onverstaarbaars, graaide in z’n vest naar een verborgen vuurwapen en opende een knetterend salvo op de troonopvolger van Kemalië.

Die was echter evenmin als de magiërs op de hoogte van dit soort wapens – hij zou u vol ongeloof hebben uitgelachen als u hem over pistolen of machinegeweren had verteld, en hij stoorde zich dan ook niet aan de ronkende herrie die de mafialeider tegen hem richtte.

Met twee grote sprongen was de held bij Vincent, rukte het wapen uit z’n handen, keilde het de trap af en sloeg de schurk toen neer met een vuist als een moker.  Onmiddellijk sleurde hij hem weer recht bij de kraag van z’n hemd en ramde zijn gezicht tegen de muur.  Toen schopte hij Vincent’s benen onder z’n lichaam uit, hield hem eventjes aan één hand in de lucht en smeet hem toen naar beneden, een tiental treden af, om een noodlanding te maken voor de voeten van zijn ondertussen overeind gekrabbelde kompanen.

‘Tien seconden,’ herhaalde de prins, nog steeds beleefd, maar toch iets minder dan tevoren.

In allerijl kwam Vincent weer recht en spurtte de trap op, in z’n haast bijna struikelend over z’n eigen voeten, en rende een gang in.

‘Hierlangs, meneer,’ piepte hij angstig.  De prins ging hem achterna, op een veilige afstand gevolgd door de vijf anderen.  Enige tijd later voegde ook Vivian zich bij hen, wakkergeschrokken van al het lawaai.

Alsof zijn leven ervan afhing – of misschien eerder : omdat zijn leven ervan afhing – racete Vincent het huis door, en als hij er al langer dan tien seconden over deed om de zolderkamer te bereiken waarin hij Kayla had opgesloten, kan het onmogelijk véél langer geweest zijn.  Hij deed de deur van het slot en wenkte de blonde prins kruiperig naar binnen.

En zag tot zijn enorme ontzetting dat hij dik in de problemen zat.  Geen prinses.

Enkele planken waren uit een schuine muur losgebroken en verhulden een tevoren dichtgetimmerd dakraam waarvan niemand ooit het bestaan vermoed had.  Lange repen van een verscheurd wit laken waren aan elkaar geknoopt en wiegden zachtjes in de wind.  Ze streelden langs de hoge gevel tot een meter of twee boven de kleine binnentuin.

‘Hoe is ze in godsnaam voorbij de honden geraakt?’ fluisterde één van de vechtersbazen.

Maar de grote, kwaadaardige dieren lagen als lammetjes zo zoet te soezen in het licht van de ochtendzon en zagen er, alles welbeschouwd, zo vervaarlijk uit als kleine witte konijntjes.  Eén van hen lag naast een opengetrokken kelderluik.  Het vergt niet al te veel verbeeldingskracht om te bedenken hoe de beeldschone prinses aan het andere uiteinde van de kelders het huis tenslotte had kunnen verlaten.

‘Ze is dus toch zelf ontsnapt,’ fluisterde Vivian, stralend van opluchting.  ‘Ze heeft naar me geluisterd, ze heeft niet gewacht op haar prins.  Ze is alleen vertrokken, heeft haar eigen pad gekozen.  Ach, dappere Kayla …’  Een warme glimlach overspoelde het gezicht van de vrouw en veegde tien jaar ouderdom van haar gelaat.

‘Wat – wat zeg je daar, vrouw?’ stamelde de prins.  ‘Heeft ze – heeft mijn lieve prinses niet op mij gewacht?’  Hij was zo van zijn stuk gebracht dat hij bijna zijn zwaard liet vallen.

‘Sorry,’ zei Vivian.  ‘Ze wilde graag gaan acteren.  Toneelspelen en zo.’

De moedige strijder wist niet waar hij het had, leek niet in staat zich te verroeren.

Vincent zag zijn kans schoon en trachtte de held in de rug aan te vallen.  Instinctmatig draaide de prins zich om, onthoofdde de mafioso voor die hem kon bereiken en strompelde toen vertwijfeld naar buiten.  Hij voelde zich niet in staat zijn paard te bestijgen, dus leidde hij het aan de teugel weg van het noodlottige huis, diep verstrikt in een uitzichtsloze identiteitscrisis.

 

 

!!!!

 

 

De zon was al enige uren aan z’n dagtaak begonnen toen de Zwarte Heer van Anweg met een gekwelde zucht ontwaakte.  Hij knipperde een paar keer met zijn ogen en richtte zich half op.  De herinneringen aan de vorige dag maakten dat hij zich bijna weer achterover liet vallen van ontmoediging, maar net op tijd ontwaarden zijn bovennatuurlijke zintuigen de aanwezigheid van een andere man.  Dus verzaakte Yarnak Zorn aan zijn vertwijfeling en stond recht.  Hij keerde zich om naar zijn bezoeker met alle waardigheid die hij kon opbrengen.

‘Grázna!’ riep de despoot van Anweg verbaasd uit.

‘Om u te dienen, heer, voor de dood en erna,’ lispelde de man die als Grázna was aangesproken.  Hij was een dienaar van Heer Zorn, één van zijn trouwste vazallen zelfs, en de zwarte heer was dan ook zichtbaar verheugd.  Ook al zag zijn dienaar eruit alsof hij had gevochten en de overwinning niet vanzelfsprekend was geweest, toch had hij nu eindelijk iemand om hem bij te staan.

‘Heer, ik breng u goed en slecht nieuws,’ vervolgde Grázna.

‘Geef me eerst het goede,’ gebood Yarnak Zorn.

‘Heer, verscheidene anderen uit uw gevolg zijn hier … zijn hier,’ stamelde hij, niet wetend wat ‘hier’ precies inhield.

‘Aha!’ De zwarte heer stond enig optimisme toe terrein te veroveren op zijn ochtendhumeur.

‘Een twintigtal van uw ridders en, euh, soldaten, heer,’ verduidelijkte de trouwe dienaar.

‘Maar het slechte nieuws is …  Ze lijken niet erg van zin nog voor uw zaak te strijden, heer.’  De wangen van de lange man kleurden enigszins rood, hij boog nederig het hoofd.

‘Wat?!’  Sissend liet Yarnak Zorn z’n adem tussen z’n tanden door ontsnappen.

‘Verklaar jezelf nader, Grázna.  Dit is ongehoord.  Ik ben de Heer van Anweg ; het recht behoort mij toe hen naar believen te bevelen.  Wat laat hen denken dat zij zich aan mij kunnen onttrekken?’  Hels onweder broeide in zijn ogen, klaar om met bliksemende furie naar buiten te treden.

‘Heer …’ de vazal aarzelde een ogenblik, niet zeker van zijn zaak.  ‘Zij zitten thans in een instelling, een afgesloten gebouw waar mannen en vrouwen met hen praten…  Ze noemen zich ‘psychiaters’ en ze proberen, voor zover ik het begrepen heb, uw rechtmatige onderdanen weer ‘op het rechte pad te brengen’.  Zij hebben hun gehoorzaamheid afgezworen ; slechts ik bleef trouw.  Heer.’

Een ogenblik lang wist Yarnak Zorn niet wat hij moest zeggen.

‘Zijn het machtige magiër, deze psychiaters,’ vroeg hij tenslotte, ‘dat zij mijn ban kunnen verbreken?’

‘Dokters van de ziel noemen zij zich, Heer, en zij bezitten, voor zover mijn ondeskundig oog kon oordelen, geen enkele toverkracht behalve degene die in hun valse woorden schuilt.’

‘Zadel de paarden!’ snauwde de Vorst van Anweg.  Het leed geen twijfel : hij zou gaan en zijn dienaars opeisen.  Hem was een onaanvaardbaar onrecht aangedaan, en de zwarte tovenaar zou dat onrecht met al zijn bekwaamheid herstellen : hij zou het opsporen en aan stukken rijten tot er geen spoor meer van overbleef.

 

 

!!!!

 

 

Heer Yarnak Zorn van Anweg was razend kwaad en voelde zich daar heel goed bij.  Hij was op pad met zijn trouwe dienaar Grázna om zijn oude vazallen weer op te eisen – ze waren namelijk van zijn ban bevrijd door een of ander raar volkje, psychiaters genaamd, dat hen vasthield in een instelling.  Dat bleek een groot, grauw gebouw te zijn in een of andere naamloze buitenwijk die er nogal triest en achtergesteld uitzag.

‘Hier is het, heer,’ benadrukte Grázna geheel overbodig.  Hij was zenuwachtig en had duidelijk geen zin in een nieuw gevecht, toegetakeld als hij nog was van de vorige confrontatie met het personeel van de gesloten instelling.  Yarnak Zorn daarentegen hunkerde naar een succesvolle actie en stond te popelen om het gebouw onder de voet te lopen.  Hij was gekleed in wat hij als zijn zakelijke outfit beschouwde – een teken dat hij niet van plan was om veel rond te pot te draaien.  Hij droeg een stevige zwarte broek met een ceintuur met zilveren arkane symbolen erop, grote zware laarzen met ijzeren verstevigingen, een bovenstuk uit donker leder en een lange diepzwarte cape erover.  Metalen stukken aan zijn armen, schouders en benen gaven zijn kledij het aanzien van een authentieke wapenrusting zonder dat ze zo zwaar en hinderlijk was.  Met blinkend staal bezette zwartlederen handschoenen, een glanzende kling aan zijn zijde en een lichte helm met twee duivelshoorns erop vervolledigden zijn diabolische voorkomen.

Yarnak Zorn kwam van zijn paard af en stapte met grote passen naar de ingang van de instelling.  Grázna haastte zich om hem te volgen.  Ze gingen binnen en kwamen bij een loket waar een bediende op z’n gemak rekensommetjes aan het maken was.  Hij keek op en kreeg de schrik van zijn leven.

‘Ehh … patiënt of bezoeker?’ stamelde hij, danig beangstigd door Yarnaks dreigende blik en outfit.  De Zwarte Heer grijnsde en sloeg toen met een machtige slag het glas tussen hemzelf en de bediende aan diggelen, greep de arme man bij zijn strot en hees hem met één hand omhoog uit het loket, door het gat dat hij in het glas geslagen had.

‘Bezoeker,’ siste hij.  ‘Ik zoek een man of twintig, zware kerels, nog maar een paar dagen hier…  Misschien wil je me helpen?’

‘Derde … verdieping,’ reutelde de bediende.  ‘Nu in … therapie.’

‘Ah,’ mompelde Zorn alsof dat woord voor hem iets betekende en dacht even na.  Toen wierp hij de receptionist achteloos terzijde en stormde naar de trap in de hal die vlak voor hen lag.

Eenmaal op de derde verdieping aangekomen, besloot de Heer van Anweg eerst zoveel mogelijk te weten te komen over de psychiaters die zijn manschappen in behandeling hadden, want hij vertrouwde de situatie niet helemaal, ook al had Grázna hem verzekerd dat het geen magiërs waren.  Hij sloop van deur tot deur en loensde door sleutelgaten of luisterde gesprekken af.  Wat hij ontdekte, was ontstellender dan alle magie die hij ooit gezien had.

Elk van zijn oude strijdkrachten was in gesprek met een man in een witte jas die vragen stelde of gewoon luisterde en ondertussen ijverig aantekeningen maakte.

 

‘Je hebt duidelijk een erg traumatische jeugd gehad, Arban.  Ik denk dat het daardoor komt dat je je tegen de maatschappij hebt willen afzetten en je op het slechte pad bent geraakt, denk je niet?’

 

‘We zien dat wel vaker, dat mensen die als jongen of als meisje misbruikt zijn door verwanten, later dezelfde zonden begaan in hun eigen gezin.  Je mag zoiets niet verdringen, Ondar, je moet erover praten, het onder ogen durven zien – jezelf onder ogen durven zien.  Dat is de enige manier om je ervan los te maken, zodat je een nieuwe start kan maken en een beter leven leiden.’

 

‘’Je moet je leven beteren, Liddo, je moet berouw tonen over je zonden.  Je herintegreren in de maatschappij, nieuwe sociale contacten verwerven, misschien je familiaal leven weer opnemen.’

 

‘Sluit je af voor de slechte invloed van die schurk van een bendeleider, Mytt.  Je moet jezelf daartegen wapenen, je moet leren om nee te zeggen.  Je moet de draad van je eigen leven weer opnemen – een beter leven, Mytt.  Laten we het nog eens hebben over hoe je ongelukkige jeugd je ertoe heeft aangezet dat meisje aan te randen …’

 

‘Nee, je bent niet slecht.  Geen enkele mens is slecht, Gero.  Je draagt een zwaar trauma mee van de tijd toen je vader en je broers je mishandelden.  Dáárom heb je al die afschuwelijke misdaden begaan, maar het betekent niet dat je slecht bent, Gero.  We kunnen je genezen als je ons laat helpen.  Wil je dat, Gero?  Wil je dat we je van je psychische problemen afhelpen, zodat je een normaal, deugdelijk leven kan leiden?’

 

‘Je moet je fouten leren te erkennen, en hard werken om ze te herstellen, voor zover dat mogelijk is.  Alleen zo kan je weer op het goede pad geraken.  Je kán dat, Aliks, je weet nu dat je geen slecht mens bent, dat je niet bent … bezeten door het kwade, zoals jij dat uitdrukt.  Je hebt de kracht om het te weren, Aliks, om het van je af te zetten en jezelf terug te vinden – een in wezen goede mens!’

 

‘Ik ben er bijna zeker van dat je oom dat met je heeft gedaan.  Weet je zeker dat je het je niet kan herinneren?  Je hebt alle symptomen van een meervoudig trauma, Ronian, en het lijkt erop dat seksueel misbruik ervoor verantwoordelijk is dat je zelf zulke vreselijke dingen hebt aangericht.  In werkelijkheid ben je een mens die de mogelijkheid in zich draagt om goede zaken te doen, om een goed persoon te zijn …’

 

En toen werd het Yarnak Zorn plots teveel.  Hij slaakte een oorlogskreet die het brandalarm had kunnen overstemmen en trapte de dichtstbijzijnde deur in.

‘Gero!  Eruit!’ brulde hij.  Met een slag van zijn zwaard onthoofdde hij Gero’s psychiater voor die om hulp kon roepen.  Eén voor één viel de Heer van Anweg alle kamertjes binnen waarin één van zijn manschappen in behandeling was en sleurde hen de gang op, vele bewusteloze of dode geestesdokters achterlatend.

‘Wat is er met jullie gebeurd?!’ schreeuwde hij, buiten zichzelf van woede.  ‘Lamzakken!  Ellendelingen!  Vervloekt stelletje deserteurs!  Wat zitten jullie hier op je luie kont te lullen over jullie miserabele, waardeloze verleden?  IK EIS JULLIE OP!!’

‘Nee,’ prevelde één van de krijgslieden, meer tegen zichzelf dan tegen de rest van de wereld.  ‘Nee, ik ben een goed mens.  Ik ben EEN GOED MENS!’ riep hij.

Zorn brak hem met een knip van zijn vingers.  Levenloos als een zak graan zakte het lichaam van de opstandeling tegen de grond.  Zorn werd er alleen maar kwader op, maar hij begon ook weer helder te denken.  Als hij hen allemaal doodde – en bij alle duivels in de hel, ze hadden het verdiend – dan stond hij er weer alleen voor.

‘Luister, mannen,’ schreeuwde hij.  ‘Ik geef jullie de kans om je te herpakken.  Kniel voor mij neer, en ik vergeef jullie.  Meer dan dat, ik beloof jullie plezier zoals jullie dat nooit gehad hebben!  Drank!  Vrouwen!  Bloed!’

Na een paar ogenblikken van vertwijfeling viel de hele bende hem luid brullend bij.  Yarnak Zorn slaakte een boosaardige triomfkreet en leidde zijn duivelse horde het gesticht uit, vastberaden om zijn beloftes meteen waar te maken …

 

 

!!!!

 

 

Bertel voelde een diepe geeuw opkomen en slaagde er niet in hem te onderdrukken.  Hij had eigenlijk sowieso geen zin gehad om weer naar de bibliotheek te komen, maar alle andere tovenaars waren voor het idee gewonnen geweest en omdat het ontbijt in hun goedkope hotelletje hem zo tegenstak (‘ontbijtgranen met melk’, stel je voor) had hij maar toegegeven.  Nu wenste hij hartstochtelijk dat hij gewoon in bed was blijven liggen om zijn roes verder uit te slapen.  Mindra van Karnek was druk aan het conserveren met die idiote computer waar hij de vorige dag zo extatisch over gedaan had; Sonder Gustavsson had een of andere gek gevonden die een fabelachtige som geld bood aan eenieder die hem online kon verslagen in een spelletje schaak en had de handschoen opgenomen; Arth had eerst wat onderzoek gedaan naar de toverij in hun nieuwe wereld (en had geconcludeerd dat die er blijkbaar niet was, wat hen allemaal erg ontstemde), en nu had hij een of andere abstracte theorie opgeduikeld waar hij nogal lyrisch over deed, maar het kon Bertel niet echt boeien (al wie zijn ideeën ‘theorie van de relativiteit’ noemde, leed volgens hem aan een acuut gebrek aan creativiteit).  Gurden had hij al een tijdje niet meer gezien, die zou waarschijnlijk wel weer zo’n introverte, meditatieve bui hebben (zoals wel meer gebeurde wanneer hij de dag tevoren teveel gedronken had).

Ah, gelukkig was heer Fredo er nog!  De Markies bladerde verveeld in een boekje getiteld ‘De moderne etiquette – gebruiken en geplogenheden in de hedendaagse tijd’ – dat was voor Bertel een even duidelijk teken als een bordje met ‘ik wil hier weg’ erop geschreven.

‘Fredo, heb je zin om even een stadswandelingetje te maken?’ waagde Bertel.

‘Ja hoor,’ stemde de markies in, duidelijk opgelucht.  ‘Al dat zwaar intellectueel werk is toch niets voor mij.  Gekromde ruimtes, wat een larie!  Iedereen ziet toch dat de wereld plat is, of niet soms?’

Hij wenkte naar zijn mantel en het met bont afgezette kledingsstuk maakte zich los van zijn kapstok en zweefde naar zijn eigenaar toe, waar het zich gedienstig over Heer Fredo’s schouders drapeerde.

‘Wat je daar zegt,’ zuchtte Bertel.  ‘Ik begrijp niet dat de mensen zulke ongeloofwaardige fabeltjes voor waar nemen.  Nog te gek voor een kinderverhaaltje, nietwaar?’

Hij gebaarde naar de deur en fronste ongedurig toen die nogal haar tijd nam om zich te laten opentoveren.

‘Wat ’n tijden,’ mompelde Fredo, ‘wat ’n flauwekul …’

 

Een eerste verrassing overviel hen toen ze een krantenwinkeltje binnenstapten om met hun laatste muntstukken een paar chocoladerepen te kopen.

‘Kijk, Bertel!’ gilde Fredo van Galende, ‘dat is Arth!’  Hij wees naar de lokale krant.  En inderdaad, op de voorpagina stond een grote foto waarop Arth een gemaskerde man neersloeg.  Op de achtergrond was het logo van de SAD-bank te zien.  ‘Onbekende held verijdelt overval,’ kopte de krant in dikke, vette letters.

 

‘Tjonge,’ zuchtte Fredo.  ‘Ze menen het, Arth is blijkbaar echt een held geworden.  Kijk, de SAD wil hem graag bedanken en vraagt of hij zich wil bekendmaken zodat ze hem een schenking kunnen doen.’

‘Ach, daar zal hij wel niet op willen ingaan, denk ik,’ bromde Bertel.  ‘Je weet hoe hij is.’

Fredo knikte.  ‘Wat moeten we eigenlijk denken van die scène gisteravond?  Met dat meisje?’

Bertel zuchtte.

‘Ik vrees dat hij verliefd is geworden, waarde heer,’ sprak hij bezorgd.  En dat net nu hij nog eens heeft gezongen, na al die jaren.’

‘Iemand zou met dat meisje moeten praten,’ opperde Fredo.  ‘Als ze hier inderdaad geen tovenaars hebben, geen magie, zoals Arth ons zojuist nog vertelde, dan weet ze niet waar ze aan begint, wel?’

‘Je hebt gelijk!’ riep Bertel ontzet.  ‘O, bij alle negenennegentig vloeken van de Heks van Meropië, wat een vreselijke situatie!’

Een tijd lang liepen ze zwijgend door de straten van de stad.

‘Wel een mooi meisje, vond je niet?’ vroeg Fredo terloops, z’n blik zorgvuldig op de straatstenen gericht.

‘Hmmm,’ bromde Bertel, die met veel genot de laatste blokjes chocolade met kokosvulling aan het verorberen was.

 

Toen ze aan de ingang van een van de vele stadsparken gekomen waren, bleef Bertel plots stokstijf staan.

‘Wat is er?’ vroeg Fredo.

‘O, alle goden van de dertien paradijzen, sta ons bij!’ riep de mollige tovenaar verschrikt uit.

Uit het park kwam een horde bandieten en plunderaars gestormd, aangevoerd door een duivelse krijger op een groot zwart ros.  Begeerte en bloeddorst brandde in hun ogen; gillend van angst vluchtten vele mensen voor hen uit.

Wat men verder ook mag zeggen over de Markies van Galende, hij was een ware Heer, en zou het zwaard opgeheven hebben tegen de Duivel zelf, mocht hij diens pad ooit kruisen.  Ook nu, geconfronteerd met een vijand die de magiërs maar al te goed kenden en vreesden, versaagde hij niet.

‘Stopt, veil heerschap!’ riep hij met schallende stem.  ‘Keer terug op uw schreden!  Keer weder tot de verdoemenis waaruit ge geboren zijt!’

Verbazing bracht de Zwarte Heer van Anweg – want hij was het natuurlijk – ertoe om daadwerkelijk te stoppen, hoewel hij met zijn superieure strijdkracht de twee tovenaars gemakkelijk onder de voet had kunnen lopen.

‘Wat doen jullie hier, ongelukkig stelletje charlatans?’ bulderde hij.  ‘Jullie wagen het mij voor de voeten te treden?!’

‘Bespaar ons je holle dreigingen, duivelskunstenaar!’ schreeuwde Fredo terug.  Bertel probeerde zich zo klein mogelijk te maken (niet evident voor iemand met zijn gestalte), maar de markies nam het dapper in z’n eentje op tegen de hele bende slechterikken.

‘Ik daag u uit voor een duel, snoodaard!  Een duel tussen de krachten van het goed en van het kwaad!  Zodat we jullie boosaardige, verderfelijke duivelsgebroed voor eens en altijd kunnen verbannen naar waar het thuishoort - de diepste krochten uit de brandende hel!’  De Heer van Galende wierp met een heftig gebaar zijn linkerhandschoen weg, een fijnbestikt, elegant stukje stof, zodat ze, perfect volgens de regels van de kunst, landde voor de voeten van Yarnak Zorn.

‘Ik neem je uitdaging aan, stommeling!  Morgen bij het ochtenduur, op het grasveld hier achter mij!’ krijste de zwarte tovenaar.  ‘We zullen jullie zo gruwelijk verpletteren dat er geen spoor van jullie overblijft!’

Zijn volgelingen juichten hem toe en schreeuwden hun eigen uitdagingen uit.  Zorn deed zijn met staal bepantserde handschoen uit en smeet ze bruusk naar Heer Fredo.  Die ontweek het loodzware ding behendig, waardoor het op Bertels tenen terechtkwam en pijnlijk gejank onttrok aan de arme tovenaar.

‘Mannen, naar de burcht!’ snauwde Yarnak Zorn.  Hun plundertocht zou moeten wachten, want hij had tijd nodig om de nakende veldslag voor te bereiden.

 

De tovenaars haastten zich terug naar de bibliotheek om hun vrienden te waarschuwen.  Maar toen ze daar aankwamen (Bertel nog steeds sidderend en bevend van angst, Heer Fredo popelend om strijdplannen op te stellen) bleek dat hun collega’s waren verdwenen …

 

 

!!!!

 

 

Ze hadden de bibliotheek nog maar net weer verlaten, toen Bertel plots bedacht dat als ze er niet in slaagden hun collega’s te vinden, Heer Fredo en hijzelf het alleen zouden moeten opnemen tegen de zwarte tovenaar.  Dat idee maakte hem zozeer van streek dat de markies van Galende de handen meer dan vol had met het kalmeren van zijn wanhopige vriend en per ongeluk tegen een voorbijganger opbotste.

‘Neem me niet kwalijk, mijnheer,’ zei Fredo.  Toen hij de ander herkende, kon hij wel schreeuwen van opluchting.

‘Kijk, Bertel, we zijn gered!’ juichte hij.  ‘Dit is de prins van Kemalië, een dapper man waarmee ik al meermaals gestreden heb voor talloze goede doeleinden!  Prins Loran, u komt als geroepen!’

Met een doffe blik in de ogen keek de depressieve held naar de tovenaars op en stond toen eindelijk recht.

‘Ach, kan het al net zo goed opgeven,’ babbelde hij als een idioot.  ‘Geen prinses, geen held, nietwaar?  Geen zin, en waarom ook?’ voegde hij er geheimzinnig aan toe.

Bertel en Heer Fredo keken hem met grote ogen aan.

‘Prins Loran van Kemalië,’ probeerde de Heer van Galende nogmaals.  ‘Prins Loran, we hebben uw hulp nodig.  Wij zien ons geconfronteerd met een machtige, kwaadaardige vijand en verzoeken u om uw gevreesde kling tegen deze vijand op te nemen.  De Zwarte Heer van Anweg is hier, en wij doen een beroep op uw vermaarde heldhaftigheid om hem te weerstreven.’

Langzaam keerde het licht terug in de ogen van de prins, alsof een lang verloren besef eindelijk weer begon te dagen.

‘Wat?!’ blafte hij zo plots dat de twee tovenaars zich een hoedje schrokken.  ‘Is Zorn van Anweg hier?’

‘Ja, dappere prins,’ sprak Bertel.

Loran van Kemalië snoof en wierp een blik vol verachting naar niemand in het bijzonder.

‘Vertel mij plaats en tijd, en mijn zwaard zal het uwe zijn!’ eiste hij.

 

En zo vonden de tovenaars hun eerste bondgenoot en kreeg het leven voor de prins plots weer zin.  Ze spraken af elkaar op het slagveld terug te zien en namen afscheid met vele grootse en bemoedigende woorden.  Daarna gingen ze elk hun weg: Bertel en Fredo om hun vrienden te zoeken, de troonopvolger van Kemalië om zijn wapenuitrusting in orde te brengen.

 

 

!!!!

 

 

‘Ga je me nu nog vertellen wat heel dat gedoe gisteravond te betekenen had?’  Erik was bijzonder slechtgehumeurd.

‘Erik, alsjeblief, kunnen we ons concentreren op het werk?!’  Ze had zich zojuist in een erg oncomfortabele strandtenuee gewrongen en wilde er zo snel mogelijk weer uit.

‘Ik voelde iets heel bijzonders toen ik die man zag, en ik wil hem graag terugzien.  Ik begrijp niet wat dat met jou te maken heeft, en waarom je daar zo chagrijnig over moet doen.’

Erik zweeg – wat kon hij zeggen?  Hij voelde zich zo zielig als een achtergelaten jong hondje, maar hij hield zijn gevoelens voor zich.

‘Goed.  Kan je deze kant opkijken?  Een beetje naar voren buigen …’

 

 

!!!!

 

 

‘Er lopen hier veel mooie vrouwen rond, vind je niet?’ vroeg Sonder.

‘O, ja hoor,’ zei Arth afwezig, zijn blik gericht op Mindra en Gurden, die een eindje voor hen op het zonovergoten voetpad van de brede boulevard liepen.

‘Als je er eenmaal een beetje aan went toch, aan de kledij die mensen hier dragen…  Je weet wel,’ vervolgde Sonder, die Arth zorgvuldig in de gaten hield.

‘O, zeker,’ stemde Arth in.  ‘Weet je,’ zei hij met een ernstige gezichtsuitdrukking, ‘misschien had ik toch maar citroen en vanille moeten nemen in plaats van citroen en chocolade.  De smaken vloeken een beetje.’

‘Goed idee,’ viel Sonder hem lachend bij – hij merkte wel dat Arth snel van onderwerp wilde veranderen.  ‘Zeg eens, Arth, wat vond je van dat meisje gisteravond – dat meisje dat je zo aanstaarde terwijl je aan het zingen was?’

Arth sloeg plots rood uit.  Hij likte bedachtzaam wat chocolade van zijn ijsje.

‘Wel een leuk meisje, niet?’ opperde hij voorzichtig.

‘O, een erg leuk meisje!’ riep Sonder enthousiast.  Een paar voorbijgangers wierpen hem geamuseerde blikken toe – en Arth’s verlegenheid werd alleen maar groter.

‘Mooi als de rozen in Hil’s tuinen, gracieus als de nimfen die in het maanlicht over zijn velden dansen, zoet als … als roomijs op een warme nazomerdag,’ prees de noorderse tovenaar gedreven, terwijl hij een kortgerokte voorbijgangster een schalkse knipoog toewierp.  Ze lachte en bloosde lichtjes, en wandelde toen verder.

‘Ja ja, al goed,’ trachtte Arth hem tot bedaren te brengen.  ‘Wel … ik denk dat ik, je weet wel …  een beetje verliefd geworden ben.’

‘Een beetje?’  Sonder glimlachte minzaam – zo minzaam dat de spot er afdroop.  ‘Waarde vriend, je maakt van een olifant een mug!  Ik heb je nooit zo horen zingen – en Mindra, die je al heel wat langer kent dan ik, zegt dat hij je in honderd jaar niet zo’n betoverend lied heeft horen weven.’

Arth zuchtte.  Hij leek plots erg bedrukt te zijn.

‘Mijn gevoelens zijn erg hartstochtelijk, Sonder, als bij toverslag hield ik van haar met heel m’n hart.  Dat hoeft toch niet verkeerd te zijn?’

‘Zeker niet, m’n vriend.  Maar je verraste ons – liefde op het eerste gezicht, en dat op jouw leeftijd.’  Hij knipoogde naar Arth; voor tovenaars maakt de tijd, of de leeftijd, niet zoveel uit.

‘Misschien kan jij deze koele, toverloze wereld wat warmen met je sprookjesliefde.’  Arth keek naar Sonder en zag dat die meende wat hij zei – alle scherts was van zijn gelaat verdwenen.

‘Maar je kijkt toch wel een beetje uit, hé Arth?’ vroeg Sonder zacht.

‘Zeker,’ beloofde Arth, en legde zijn hand even op Sonder’s schouder.

Toen wandelden ze verder.  Alle belangrijke dingen waren gezegd, en al spoedig kwam hun gesprek terecht bij de eerstvolgende maaltijd, alwaar het een lange tijd verwijlde…

 

 

!!!!

 

 

Mindra, Gurden, Sonder en Arth zaten van de zon te genieten op een bankje op de grote boulevard en keuvelden gezellig over vanalles en niets.  Op een nabijgelegen pleintje stond een kleine kermis opgesteld; de muziek dreef hun kant uit en overstemde nu en dan hun gesprek, maar ze lieten het niet aan hun hart komen.

‘Het is zeer merkwaardig,’ sprak Mindra plots ernstig.  Zijn vrienden keken hem vragend aan.

‘Deze wereld kent geen magie.  Zij is toverloos.  Zij heeft een andere erecode dan onze wereld – onze wereld wordt hier beschouwd als een sprookje, als een mythe.  En toch is er schoonheid.’

De anderen zwegen.  Zij hadden de afgelopen dagen hetzelfde gevoeld, dezelfde indrukken opgedaan.

‘Ja, schoonheid,’ stemde Gurden in.  ‘Ik kan me voorstellen dat anderen voelen dat ze ervan zouden kunnen houden – van deze wereld.  Maar ik mis de onze.  Ik verlang ernaar weer te horen hoe de wind de bomen het hof maakt door ze zachtjes heen en weer te wiegen en te zingen van zonnige landschappen, ze wat plagerig doorheen te schudden, en dan, als zijn avances onbeantwoord blijven, vanop steile hellingen op hen neer te vallen en met al zijn kracht de bladeren van hun takken te blazen.  Ik wil golven trots op de klippen horen spatten, neuriënd over koude dieptes waar de zon niet komt en men de koningen en de tovenaars van het land niet kent.’

Abrupt zweeg Gurden weer; het gebeurde zelden dat hij zo uitvoerig sprak.

‘Maar de echte vraag is, denk ik, wat onze plaats is in dit vreemde land,’ merkte Sonder zachtjes op.  ‘Deze wereld is gevaarlijk voor ons, want we kennen haar wetten niet, of nauwelijks.  En wij zijn binnen deze wereld ongehoord gevaarlijk, want wíj kunnen hier onze toverijen wel werken.’

 

Op dat moment kwamen Bertel en de markies van Galende naar het viertal toegerend.  Ze waren buiten adem (vooral de arme Bertel, wiens benen bijna twee keer meer gewicht moesten dragen dan die van Heer Fredo), maar dat belette hen niet druk te schreeuwen en te praten zonder ophouden – zonder dat de anderen er veel van konden maken.

‘Zwijg toch even!’ riep Arth tenslotte boos uit.  ‘En vertel me nu rustig wat er aan de hand is.’

Bertel vertelde hem alles over de ontmoeting met Zorn van Anweg.

Arth snoof vol verachting, rechtte zijn rug en keek de wereld uitdagend aan.

‘Heren,’ zei hij, ‘ik denk dat wij ons een doel hebben gevonden in dit vreemde land.’

 

 

!!!!

 

 

De tovenaars zouden geen echte tovenaars geweest zijn als hun namiddag niet door enkele merkwaardige voorvallen meer kleur gekregen had.  Het toeval wil – en ik laat u vrij te kiezen hoe u dit wilt interpreteren; zeker en vast zou menig tovenaarsclubje hierover een levendige discussie kunnen voeren, het onze zou er wellicht de spreekwoordelijke drie dagen en drie nachten mee kunnen vallen – welnu, het toeval besloot dus op die welbepaalde namiddag een politieke manifestatie het pad van de tovenaars te laten kruisen.  (Het moet wel bijna vaststaan dat de organisatoren van de betoging niet op de hoogte waren.)

Al snel raakten de magiërs elkaar kwijt in die onbeschrijflijke drukte : duizenden mensen die zich doorheen smalle straatjes wrongen; een kronkelende, lange slang die zich een bochtige weg baande naar het stadshuis om daar, een week voor de gemeenteraadsverkiezingen, te betogen tegen manipulatie van de campagne en allerlei fraudes en schandalen, vermeend zowel als echt.

Het zal de combinatie van verschillende factoren geweest zijn, de grote hitte die in trage stromen door de steegjes vloeide, de vreselijke, irriterende drukte en de afwezigheid van collega’s die als bliksemafleider voor deze factoren hadden kunnen spelen, die onze tovenaars het hoofd deed verliezen; wellicht moeten dan ook eerder het weer en de betogers zelf dan Arth en zijn vrienden verantwoordelijk gehouden worden voor de merkwaardigheden waarbij zij nogal actief betrokken geraakten.

 

Bertel was steeds verder vooruitgedrongen in een poging om aan de ergste drukte te ontsnappen.  Op een gegeven ogenblik liep hij helemaal voorop, nog voor het legertje vakbondsafgevaardigden en lokale politici dat de voorhoede van de protestmars uitmaakte.  Door zonder aarzelen de betoging over een drukke baan te leiden waar ze eigenlijk niet op mochten, legde hij het verkeer in de stad minstens een uur lang plat.  Dat was nog vrij onschuldig.

Gurden Jinslev da Serelenka kwam in een woeliger, onrustiger contingent betogers terecht dat het enigszins aan de stok kreeg met de politie – geen zware rellen, maar toch hevige pogingen om doorheen de politierangen te breken en een binnenweg richting stadhuis te nemen.  De politie besloot het waterkanon in te zetten om de straat schoon te spuiten.

Gurden vond dit een geweldig idee: het had al even niet geregend en hij miste zijn favoriete element.  Bovendien was elke verkoeling welkom in dit tropische weer.  Maar het kanon kon de strijd niet meteen beslissen en al spoedig bevond Gurden zich op een slechte plaats – praktisch op de wagen die het waterkanon droeg, maar buiten het bereik van de verfrissende waterstraal.  De klachten van de agenten horend, die vonden dat ze met te weinig manschappen waren om deze menigte het hoofd te bieden, besloot hij er een schepje bovenop te doen.

Met een geweldige toverspreuk bezwoer hij een regenstorm, die zich vanop een naar, guur plekje boven een verre oceaan Gurdenwaarts repte, zo snel dat Einstein zich in zijn graf omkeerde (wat de rest van de wereld gelukkig ontging, want het is niet al te netjes voor een dode) en de zware donderwolken hun schaduw ver achter zich lieten; die haalde de wolken pas in toen ze al lang uitgeregend waren en slaagde er dan ook niet in hen te vinden.  Aangezien de avond echter al begon te vallen en de meeste schaduwen dan van hun plichten ontslagen worden, haalde hij z’n schouders op (daarbij een onaangename, koude bries veroorzakend) en loste op in de omhelzing van de schemering.  De betogers in de stad echter zagen zich plots overweldigd door een zondvloed die agressiever en sterker was dan zijzelf, zonder dat de zon zich in z’n schaduw verschool.  Gunder staarde gelukkig naar de prachtige regenboog die hij daarmee had gecreëerd, een ware zee van zachtgekleurd licht die zich in de hemel uitspreidde.  De betogers hadden echter weinig kans tot genieten van het natuurlijk schoon; zij verzopen al snel in een zee van water, van regen die op hun hoofden neerkletterde als een steniging.  Enigszins kwaad door de onhoffelijke haast waarmee Gunder hem geroepen had, en oncomfortabel in een paar (voor het doorsnee onweer smalle) straten samengeperst, ontwikkelde de storm een ongebruikelijke nijdigheid : zo hard gierde de wind dat geen ander geluid nog hoorbaar was en men zich niet langer staande kon houden, zo hard viel de regen neer, nee, werd de regen tegen de grond (en alles erop) neergesmeten, dat het waterkanon je niet meer was opgevallen al had je er een meter voor gestaan.

De haren wapperend in de wind spoelde Gurden Jinslev da Serelenka de achterste helft van de betoging straat de rivier in die tweehonderd meter verder het stadscentrum in tweeën deelde, daarbij enkele kermisattracties meevoerend die dertig kilometer stroomafwaarts weer een klein strandje op zouden dobberen.  Talloze reddingsploegen rukten uit om een paar duizend mensen uit de rivier te vissen; als door toverij raakte niemand ernstig gewond.

Gurden Jinslev bleef nog urenlang onbeweeglijk staan, drijfnat maar gelukkig.  Niemand durfde hem te benaderen.

Alle sensatie ten spijt, haalde ook hij het voorpaginanieuws niet.  U heeft het wel geraden:  die eer was weggelegd voor Arth Morthagorn, ook wel Fagat ibn Tergon di Sérlakath Merlënúmenon genaamd.

 

Arth liep mee in de kop van de betoging en was één van de weinigen die de burgemeester boven al het rumoer konden verstaan toen hij de manifestanten toesprak.  Het was een droge, weinig geïnspireerde speech en hij had dan ook weinig effect.  Maar de burgemeester dacht zo luid dat Arth, die hooguit een meter of tien verder stond, het niet kon helpen zijn gedachten op te vangen.  En die waren zo schandalig dat de tovenaar zich al snel boos begon te voelen en aandachtig ging luisteren.  Zo ving hij een hele verborgen agenda op, en angst dat een smeergeldaffaire zo kort voor de verkiezingen zou uitlekken, en tal van politieke schandalen en zaken die het daglicht niet verdragen.

Nu was tovenaar Morthagorn op die weinige dagen nogal warmgelopen voor het concept democratie en zijn teleurstelling was enorm nu hij het systeem voor de eerste keer in de praktijk zag.  Verontwaardigd toverde hij zich onopvallend naar het balkon waarop de burgemeester stond, trad toen plots uit de schaduw en snokte de microfoon uit de handen van de verschrikte politicus.  Volgens alle regels van de kunst stak hij een vlammende redevoering af, geïmproviseerd en daardoor des te meer bezield.  Hij haalde alle zaken aan die de zwetende, van angst geparalyseerde burgemeester door het hoofd gingen (zo bevoorraadde hij ongewild Arth’s betoog continu met feiten en argumenten) en eindigde twintig minuten later met een ijzersterk betoog voor eerlijk en goed bestuur.

Ondertussen waren enkele aanwezige verslaggevers op het balkon geklauterd en zij maakten gebruik van de ongewone stilte na Arth’s toespraak om deze zonderlinge onbekende te interviewen.

‘Wie bent u, mijnheer?’ vroeg de eerste.

‘Arth Morthagorn,’ antwoordde die.

Prompt begon de massa zijn naam te scanderen.  Pas enkele minuten later kon de reporter hem een volgende vraag stellen.

‘U heeft een indrukwekkend verhaal gebracht.  Wat moet er volgens u gedaan worden in deze omstandigheden?'

Hierop vaardigde Arth een hele rits maatregelen uit die hem nuttig schenen.  Sommigen voorstellen kwamen vreemd over (niet verrassend, gezien zijn korte ervaring met de lokale situatie), maar er waren ook een paar goede en originele ideeën bij.  Zo het hem had geïnteresseerd, was de basis gelegd voor een bloeiende politieke carrière.

Al snel werd hij de drukte beu en wandelde van het balkon weg, het stadhuis door, om op zoek te gaan naar zijn vrienden en een warm avondmaal.

 

 

!!!!

 

 

Prins Loran was een beetje verdwaald.  Hij wilde de stad weer uit om zich ergens in de velden te rusten te leggen, maar de overvloedige straatverlichting belette hem zich op de sterren te oriënteren.  Hij probeerde nu zo consequent mogelijk in één richting te gaan, maar dat viel hem moeilijk.  Het was nu al een tijdje donker en hij had er geen idee van hoever hij gevorderd was.

Toen hij op een groot kruispunt halt hield om te beslissen welke van de vele toegangswegen hij zou kiezen, overviel hem plots dat bijzondere instinct dat alle grote helden vertelt wanneer ze op hun hoede moeten zijn.  Gevaar!  Het kwaad is nabij!

Loran van Kemalië wàs een held.  Hij sloeg vastberaden de straat in van waaruit het onheilspellende gevoel kwam aandrijven.  Al snel hoorde hij een gesmoorde kreet.  De prins verloor geen ogenblik en spurtte een donkere steeg in.  Tegen een smerig, bouwvallig muurtje stond een meisje, ineengekrompen van angst, teruggedeinsd voor een groepje mannen dat op het punt stond zich op haar te storten.  Het meisje – ze was misschien een jaar of zestien, zeventien, hoewel dat moeilijk te zeggen viel op deze schemerdonkere plek – droeg gescheurde kleren; een weinig bloed besmeurde haar gezicht.

Dat was genoeg voor de prins.  In een oogwenk observeerde hij dat er zeven belagers waren, dat twee van hen een mes in de hand hadden en de rest niet bewapend was, en dat ze over het algemeen niet helemaal nuchter waren (de prins, die een zeer verfijnd reukvermogen had en de talloze hofdames van zijn moeder de koningin feilloos aan hun parfums herkende, rook de alcohol in hun adem vanop meer dan tien meter afstand).  Hij schraapte luidruchtig zijn keel en sprak toen :

‘Heren, ik zou u willen verzoeken u terug te trekken en de jongedame aan mijn hoede over te dragen.’

Verrast draaide de bende zich naar hem toe.

‘Maak dat je wegkomt, pottenkijker, of ik voer je aan mijn honden!’ grauwde iemand hem toe.

‘Ik zie mij genoodzaakt mijn toevlucht te nemen tot geweld, heren,’ deelde de prins mee.  Hij trok zijn zwaard – het zong een hoge, zwangere toon terwijl hij de laatste afstand tot de schurken overbrugde.

Eén van hen sprong met getrokken mes op hem af, maar snel als de wind greep Loran zijn pols met z’n vrije linkerhand en brak met een geweldige tour de force enkele beenderen.  Het mes kletterde op de straatstenen neer, het slachtoffer gilde van pijn en staarde verschrikt naar zijn slap neerhangende hand.  Toen schopte de prins hem in zijn lies, terwijl hij met z’n zwaard de volgende schurk het mes uit de handen houwde; in één beweging draaide hij zich om en prikte een nieuwe belager voorzichtig in de buik – maar voldoende diep om hem af te schrikken.

Hij merkte nu op dat geen van de aanranders nog wapens droeg en de erecodes indachtig wierp Loran van Kemalië zijn kling ter aarde (maar wel zodanig dat de zwaardknop een tegenstander voluit op de knieschijf raakte, hetgeen hem tijdelijk buiten gevecht stelde).

Wat nu volgde was een onbeschrijflijk gevecht waarin Loran alle wetten van de logica tartte (maar des te getrouwer die van het sprookje eerbiedigde).  De prins danste tussen zijn belagers door, sprong leniger dan een kat van de ene kant van het steegje naar de andere, daarbij een regen van slagen en welgemikte schoppen uitdelend en zelf alle aanvallen ontwijkend; talloze grijpgrage handen misten hem op een haar na of raakten het verkeerde doelwit.  Na een tijd lagen vier van de zeven schurken op de grond, het leek erop dat de held daadwerkelijk het gevecht zou winnen.

Toen gebeurde er iets :  een verschrikte uitdrukking gijzelde het gezicht van de prins, hij kneep zijn lippen krampachtig op elkaar.  Als een acrobaat buitelde hij bliksemsnel achteruit en graaide met z’n hand in zijn broekzak.  Terwijl hij met één hand de drie aanvallers afweerde, hen ontwijkend en hun gebalde vuisten wegslaand, viste hij een fijn zijden doekje op, met kanten bloemetjes versierd, en snoot lang en luidruchtig zijn neus.

Zodra hij het zakdoekje had weggestoken, ging hij in het offensief; niet veel later was de strijd ten einde.  De prins waadde zorgvuldig doorheen de bewegingsloze gestalten, pikte zijn zwaard en het huilende meisje op, hees zich op zijn paard en galoppeerde de steeg uit.

 

 

!!!!

 

 

Loran van Kemalië had een kamer besteld in een herberg (‘hotel’ had de waard hem toegesnauwd, maar één vernietigende blik van de prins had hem de mond gesnoerd en hij had zeer beleefd zijn beste kamer ter beschikking gesteld van Zijne Hoogheid).  Hij had het meisje gezegd dat ze zich moest wassen en ze zag er al een stuk beter uit toen ze weer uit de badkamer tevoorschijn kwam.  Best een leuk meisje, als ze nu een paar jaar ouder was geweest …  Dan dacht hij weer aan Kayla ni Sender, en schuldgevoel overviel hem.

‘Wie ben je,’ vroeg het meisje na een lange, ongemakkelijke stilte.

‘Loran van Kemalië,’ antwoordde hij kort.

‘Hoe komt het dat dat tuig je niet aan stukjes heeft gesneden?’ vroeg ze.  ‘Ze waren met z’n zevenen, toch heb je hen verslagen zonder ook maar een schrammetje op te lopen.  Alsof je … bovenmenselijk was.’

Loran was enigszins in de war gebracht door deze vraag.  ‘Hoe bedoelt u, juffrouw?’ antwoordde hij.  ‘Ik ben immers een held; het is natuurlijk voor mij heldendaden te plegen.  Of zo heeft men het mij toch altijd verteld, en ik heb nog geen reden gezien om eraan te twijfelen.’

De prins aarzelde, niet goed wetend wat de jongedame wilde weten.

‘Het was ook werkelijk geboefte van de laagste soort, en flink dronken daarbij,’ voegde hij er bijna verontschuldigend aan toe.

Zij glimlachte.

‘Het doet er niet toe,’ zei ze zoetjes.  ‘Ik ben je erg dankbaar.  Ik weet dat het laat is en dat je vermoeid bent – misschien.  Maar zou je mij toch naar huis willen brengen?  Het is niet ver, en ik weet zeker dat mijn ouders spoedig erg ongerust zullen worden.  Bovendien zullen ze je ook willen bedanken.’

‘Dat is werkelijk niet nodig, juffrouw,’ repliceerde de prins geroutineerd.  ‘Ik deed slechts mijn ridderlijke plicht.’

Zij glimlachte weer.  Iets in haar ogen, bijna door buitensporige brutaliteit voorgoed gesmoord, herleefde.

 

 

!!!!

 

 

Al voor dag en dauw waren de tovenaars uit de voeten.  Zij kleedden zich rustig aan en genoten van een stevig ontbijt – het gaat niet op om op een lege maag de wereld te redden.  En dus werkten zij plichtsgetrouw eieren, spek, brood, tomaat, worst en kaas naar binnen tot zelfs Bertel geen eetlust meer had.  Daarna praatten zij elkaar moed in en herhaalden ze bondig de strategieën die ze de vorige avond hadden bedacht.  Tenslotte verlieten zij hun veilige onderkomen en gingen op pad.  Nog voor het krieken van de dag zouden zij de prins van Kemalië treffen bij de toegang tot het stadspark.  En daar zouden zij samen trachten de vijand te weerstaan.

 

Heer Yarnak Zorn had zijn manschappen reeds in het holst van de nacht in het park gelegerd.  Hij had dit als een tactische zet gepresenteerd, maar de ware reden was dat hij het in zijn toverburcht niet langer uithield.  Het dreigende gebouw (ontworpen om elk wezen met een minimum aan gezond verstand af te schrikken) bleef maar de aandacht trekken van allerlei ongewenste figuren die hem niet naar waarde leken te schatten (en zich meestal snel realiseerden dat ze een grove vergissing hadden gemaakt).  Toen hij in de namiddag met zijn troepen in het kasteel aankwam, krioelde het gebouw van de mensen, allemaal personen die beweerden van de ‘amerikaanse staatsveiligheid’ te zijn; zij vertelden hem dat zijn burcht straling uitzond die hun satellieten tot drieduizend kilometer ver saboteerde, dat bovendien de vorige dag een bom was ontploft in een amerikaanse ambassade twee landen verder, en dat zij meenden dat heer Zorn de leider was van een terroristische organisatie die geavanceerde militaire technologieën verkocht aan schurkenstaten met het doel de verenigde staten van amerika te vernietigen.

Dit was natuurlijk totale flauwekul, behalve dan het gedeelte over de straling:  de heerser van Anweg had uiteraard zijn burcht met een sterk angstveld omgeven, vol gesofisticeerde spreuken en zelfbedachte snufjes – hoe moest het gebouw anders de mensen angst inboezemen?  Dat ook de satellieten van deze dwaze mannen er schrik van kregen, kon hem maar matig boeien.  Hij had per slot van rekening andere dingen aan het hoofd.  Het duurde dan ook niet lang voor de opdringerigheid van het amerikaanse team hem begon te ergeren : ze wilden niet weggaan en trachtten voortdurend hem in de boeien te slaan, hetgeen een erg saaie en vermoeiende bezigheid was.  Dus besloot Zorn dat hij de amerikanen best nog wat meer kon saboteren : hij voederde het team aan de vleesetende planten die hij twee dagen tevoren in zijn tuin had neergetoverd.  Zijn strijdkrachten keken luid juichend toe en applaudiseerden bij elke hap die de monsterlijke vegetatie nam.

Toen Yarnak Zorn tegen de avond nogmaals bezoek kreeg van milieuactivisten betreurde hij die zet; het leek hem immers passender de natuurliefhebbers door zijn planten te laten verslinden, maar stijl en goede smaak weerhielden hem ervan dezelfde truuk tweemaal toe te passen.  Dus hield hij eenvoudig de poorten gesloten en legde een spreuk van stilte over hen, zodat hij hun ergerlijke kreten niet langer hoefde te aanhoren.

Omstreeks middernacht hoorden de bewoners van het kasteel een snel aanzwellend, gierend lawaai.  Enkele seconden later scheurde een amerikaanse jet over het kasteel en liet twee pakketjes vuurwerk vallen.  De burcht was echter ontworpen door een professional en de helderziende spreuken die in haar boosaardige, waakzame bewustzijn waren verweven detecteerden dan ook tijdig het sterke veld van kwaadwillendheid dat de bommen omgaf.  Dus wierp het toverkasteel de projectielen ver van zich af (het eerste landde veertig kilometer verder en veegde daar een klein dorp van de kaart; het andere flirtte even met een paar vreemde kronkels in de zevendimensionale ruimte-tover-tijd, suisde zestienduizend kilometer door de atmosfeer en schakelde tenslotte een raket uit die deelnam aan een test voor een rakettenschild), bovendien ving het de straaljager met een supersone spreuk die het vliegtuig sterke amoureuze gevoelens opdrong voor het binnenplein van de toverburcht.  Met haar laatste krachten bezwoer de vesting tenslotte een klein demoontje dat de heer van Anweg moest gaan wekken.

Die was ronduit furieus.  Hij wees de piloot woedend de deur en besloot dat het genoeg was geweest : hij gaf bevel tot klaarmaken voor de strijd.

 

 

!!!!

 

 

De eerste zonnestralen weerkaatsten schitterend op wapens en wapenrustingen toen de twee strijdmachten tegenover elkaar kwamen te staan.  En even plots verdween het ochtendlicht weer; regen viel neer en lichte mist kroop als bij toverslag uit het vochtige gras omhoog.  Alle aanwezigen verstomden.

‘Wat zullen we nu krijgen?’ mompelde Yarnak Zorn, tot zijn eigen verbazing nog tot verbazing in staat.

‘Regen?’ vroeg Arth vertwijfeld.  ‘Regen tijdens een veldslag?’

‘Dit is ongehoord!’ riep de kroonprins van Kemalië.  ‘Hoe kunnen de dames ons bij dit weer komen toejuichen?  Hoe zullen wij na de overwinning hun zoete gelukwensen in ontvangst nemen?’

‘Ongehoord!’ viel Mindra van Karnek hem verontwaardigd bij.  Hij had zich nogal fraaie kledij aangeschaft en was niet weinig bezorgd over modderspatten en andere verschrikkingen.

Iederéén weet toch dat de goede helden de kwade schurken bij stralende zonneschijn bevechten?  Dat het warme licht hun kleurige banieren en hun blinkende wapenrustingen hoort te beschijnen?  Dat hun prachtige gewaden, door toegewijde jonkvrouwen geweven in ranke torens, door regen en vochtigheid hinderlijk en vuil worden.  En hoe kan je nu in godsnaam glorieus over je vijand triomferen als door de mist niemand kan zien hoe glorieus je jezelf (ondanks je natte kleren) probeert te gedragen?  Iedereen weet dat de zon hoort te schijnen – alleen het weer was dat kennelijk even vergeten.

 

Het was dan ook met weinig animo dat de krijgers van de heer van Anweg uiteindelijk een charge uitvoerden op de tovenaars.  Prins Loran gaf zijn paard de sporen; het nobele dier sprong vooruit en schoot op de tegenstanders af.  De markies van Galende stond de prins bij en counterde met zijn rapier talloze aanvallen.  De magiërs wierpen vuurballen naar de zwarte tovenaar en ontweken zijn bliksemschichten (hoewel ze de vlammen dichter lieten komen dan veilig was, in een poging om het een beetje warmer te krijgen).  Van veel enthousiasme gaven zij echter geen blijk.

 

Toen de strijdende partijen echter de eerste omstaanders ontwaarden (het ging om een argeloos groepje vroege vogels in apepakjes dat hijgend naar het strijdtoneel hobbelde – joggers) wilde ieder zich van zijn beste kant laten zien.  De vechters zwaaiden hun klingen in sierlijke bewegingen, pareerden elkaars stoten, riposteerden, …  Zorn van Anweg bezwoer een gemene demon die er een beetje uitzag als een kleine draak en stuurde hem op de tovenaars af.  Bertel en Mindra trachtten hem te vangen met een net van vuur dat ze gevaarlijk heen en weer zwaaiden; Sonder sprong op de rug van het beest toen het laag bij de grond voorbijscheerde, maar had er zoveel moeite mee zich vast te houden dat hij weinig kon doen om het monster uit te schakelen.  De demon negeerde deze drie tovenaars min of meer en richtte zich keer op keer naar Arth, die het flink beu werd om in de regen heen en weer te moeten springen om de venijnige aanvallen van de demon te ontwijken.  Toen het beest voor de zoveelste keer zijn muil opensperde om een lans van vuur uit te braken, werd het de tovenaar teveel.

‘Bij Lucifers ballen en de drie ogen van de blinde god Ofir!  Je stinkt alsof de Duivel een scheet gelaten heeft!’ bulderde Arth luid als de donder, voor een ogenblik zijn waardigheid vergetend.  Hij trok een erg lelijk gezicht en begon een vreselijke spreuk uit te spreken, maar voor hij drie woorden ver was, had het beest al het hazepad gekozen, daarbij de joggers in minder dan geen tijd ver achter zich latend.  Dit tot groot ongenoegen van de tovenaar van Zorn, alsook van Sonder Gustavsson, die vanop vijf meter hoogte door de demon werd afgeworpen.

Hevige aanvallen volgden elkaar nu in een snel tempo op.  Yarnak Zorn zond giftige slangen naar zijn vijanden, en zij zetten het gras het in brand.  De tovenaars zetten de heer van Anweg in het donker, maar hij lachte hen uit, want hij kon in het donker zien.  Prompt trachtte hij rond de tovenaars de tijd te bevriezen, maar Mindra boog met een ingenieuze spreuk de tover-tijd zodat de zwarte magie van hen weggleed en twee kilometer verder het verkeer op de ring bevroor, wat meteen het begin van de ochtendspits inluidde.  Sonder riep de bomen tot leven.  In dichte rangen rukte een bosje berken op naar de vijand.  Die bezwoer echter de vleesetende planten uit zijn tuin; na hun overdadige maaltijd de vorige dag hadden zij vreselijke stekels en knotsen en gepunte bladeren bijgegroeid, en monsterlijke muilen vol scherpe naalden en bijtende vloeistoffen.  Zonder veel moeite vernietigden zij de vijandelijke inheemse flora, waarna ze zich een zompig uithoekje van het park uitkozen en zich daar vestigden.

Toen trok de mist op en stopte de regen.  Het begon te gieten.

 

Terwijl de strijdlust bij beide partijen weer op een laag pitje brandde, kwamen de eerste buitenstaanders zich bemoeien met de gang van zaken.  Als allereersten kwamen de journalisten en de fotografen.  Zij wilden weten hoe de acteurs heetten, wie de special effects verzorgde, of Steven Spielberg er iets mee te maken had.  Zij lachten toen de ‘acteurs’ hen vertelden echte tovenaars te zijn.  Zij lachten nog steeds toen de ‘echte tovenaars’ hen verzekerden dat ze échte echte tovenaars waren.  Het lachen verging hen toen de echte echte tovenaars hen boos met vuurballen uit het park verdreven.  Niettemin schreven zij een dag later, op pijnlijk verschroeide billen achter hun computers gezeten, over high-tech stunts en top secret militaire aangelegenheden (er was per slot van rekening een straaljager gesignaleerd tien kilometer buiten de stad en men wist dat de amerikaanse inlichtingendienst in de stad werkzaam was).

Kort na de verslaggevers arriveerde de politie.  Tientallen agenten namen posities in rondom het stadspark en met luidsprekers werden alle vechters opgeroepen het geweld te staken en zich te laten inrekenen.

Ongelovig keken de tovenaars elkaar aan.  De ordetroepen hoorden hen toch zeker te steunen?  Waren zij niet de goeden, streden zij dan niet tegen het kwaad?  Waarom wilde men ook hén dan inrekenen?

Zorn van Anweg liet een bijzonder grote vuurbal ontploffen boven de combi van de hoofdcommissaris.  Het kostte de arme man zijn laatste grijze haren, maar hij dook kwiek genoeg naar de grond om verdere schade te vermijden.

 

Maar toen begon het nóg harder te regenen en dat werd de tovenaars en de helden teveel.  Beide partijen wierpen hun wapens in het slijk en ploften naast elkaar neer op een plekje slap, doorweekt gras dat het geweld doorstaan had.

‘Wat is dit voor een vervloekte plaats!’ klaagde een krijger.  ‘Heeft de zondvloed zich van dag vergist?’

‘Mensen nemen ons niet serieus,’ zeurde heer Fredo de Galende.  ‘Ze denken dat we acteurs zijn!  Dat we doen alsof!’

‘Zien ze niet dat wij strijden, goed tegen kwaad, licht tegen duisternis?’ verzuchtte Sonder Gustavsson.

‘En die eeuwige bemoeizucht!’ riep Zorn van Anweg.  ‘Kan een mens niet rustig oorlogvoeren zonder dat elke idioot op de wereld hem komt lastigvallen?’

‘Deze plaats breekt werkelijk alle regels,’ mopperde prins Loran van Kemalië.  ‘Mijn paard is verkouden, mijn kledij is geruïneerd, en heeft er al iemand ook maar één jonkvrouwe gezien?’

‘En mijn voeten zijn koud, en Fredo’s snor hangt erbij als een bosje verwelkt gras,’ voegde Mindra toe.  De markies wierp hem een nijdige blik toe en trachtte onopvallend zijn snor te fatsoeneren.

Een lange stilte volgde.  Het was Gurden die het stille zwijgen verbrak.

‘Misschien moesten we maar weggaan,’ opperde hij.  ‘Teruggaan naar onze eigen wereld, bedoel ik.’

Weer bleef het lange tijd stil.

‘We weten niet hoe,’ wierp Mindra uiteindelijk tegen.

Yarnak Zorn wrong zijn imposante zwarte helm van zijn hoofd en smeet het ding vijftig meter door de lucht.  Het plonsde neer in een vijver en zonk bubbelend naar de bodem.

‘Ik weet het wel,’ zei hij nors.  ‘Er is een poort in een dennenbosje vijfentwintig mijl ten noordwesten van de stad.  Ik zal mijn troepen zodadelijk daarheen leiden.  Ik laat al mijn claims op deze vreselijke wereld vallen.’

 

Op dat ogenblik ging zijn toverburcht in rook op.  Slechts een klein zwart wolkje verraadde haar vroegere aanwezigheid.  De straaljager bleef eenzaam achter met een gebroken hart.

 

‘Ik zal de heer van Anweg volgen,’ stemde Loran van Kemalië in.  ‘Slechts uit bittere noodzaak, wil ik er wel aan toevoegen, en zodra wij weer thuis zijn, acht ik deze wapenstilstand ontbonden,’ voegde hij er enigszins dreigend aan toe.

‘Nu, wij willen ook graag terug naar de School van Hil,’ viel Bertel bij.  Mindra van Karnek, Gurden Jinslev da Serelenka, Sonder Gustavsson en Heer Fredo de Galende knikten instemmend.

‘Weg uit deze sombere, sprookjesloze wereld!’ riep de markies.  Zijn uitroep werd op gejuich onthaald door vriend en vijand.

‘Laten wij dan thans uiteengaan en elkaar wederzien op de genoemde plaats bij het vallen van de avond,’ stelde Yarnak van Zorn voor.  Iedereen stemde in.

 

‘En jij, Arth?’ vroeg Mindra aan zijn oude vriend.  ‘Je hebt nog niets gezegd.’

Arth keek hem aan met een stralende uitdrukking op zijn gezicht.  Hij omhelsde Mindra van Karnek, trok toen zijn gewaden weer in de plooi en keek het bonte gezelschap met fiere blik aan.

‘Ik wens u allen een goede en voorspoedige reis,’ zei hij beleefd.  Toen slaakte hij een luide kreet, en de regen stopte, en als bij toverslag brak de zon stralend door de wolken.

‘Heren, het is aan mij om de mythe te verdedigen!’ riep hij.

 

 

!!!!

 

 

De prins van Kemalië stopte aan een klein winkeltje om wat zoetigheid te kopen voor zijn vermoeide paard.  Maar toen hij binnenstapte, kwam er niemand om hem te bedienen.  Er zat alleen een droevige kikker op de toonbank.  Het diertje kwaakte zielig.

Ach kom, dacht de prins.  Hij boog zich voorover en kuste de kikker teder.

Ze veranderde voor zijn ogen in een blond meisje, niet knap genoeg om een echte prinses te zijn, maar best charmant.  Ze keek nog steeds zo droevig dat hij haar nogmaals kuste.

Hij voelde plots iets warms vanbinnen, zij keek hem vragend, verbaasd aan.

‘Ik ben prins Loran van Kemalië,’ zei hij en boog.  Ze geloofde hem.

‘Wilt u mijn prinses worden, vrouwe?’ vroeg hij hoffelijk, maar geheel tegen de etiquette.

Ze knikte.

‘Mijn naam is Laura,’ zei ze.

Hij tilde haar op zijn paard, slaakte een vrolijke kreet en galoppeerde de zonsondergang tegemoet.

 

 

!!!!

 

 

Vanop een brug keek Arth uit op de rivier.  Stilaan zonken de laatste zonnestralen weg in het koele water.  Vaarwel, vrienden, dacht de tovenaar.

Hij draaide zich om.  Vermoeid maar gelukkig ging hij op weg.  Twee straten verder zag hij haar voor zich.  Zij glimlachte verrast, maar hij kende dit soort toeval en had het lang voelen aankomen.

Sterrelicht glinsterde in zijn ogen toen hij op haar toeliep.  Sprookjesliefde brandde in zijn hart.  Kalme vastberadenheid heerste in zijn gedachten :

 

Aan mij om de mythe te verdedigen.

 

 

 

 

!!!!

!!!

!!

!