De
vijver mag niet overlopen.
Op een dag maakte de eekhoorn een hele verre reis. Hij had gehoord van een land waar de klaprozen zo groot groeiden dat je in hun rode kelken een middagdutje kon doen, en dat wilde hij wel eens zien.
Maar zijn voeten brachten hem ergens anders naartoe. Hij wandelde helemaal tot aan de zee. Daar kreeg hij op voorspraak van de vogelspin een lift van de flamingo, die hem afzette op een eiland waar de palmbomen elkaar om de beurt koelte toewuifden.
Daar at de eekhoorn kokosnoten, kraste hij brieven in palmbladeren en zocht hij samen met de regenboogvis de mooiste schelpen. Verder genoot hij van het zachte briesje van de wuivende palmbomen, en af en toe zwaaide hij met z’n staart een palm wat koelte toe, als wederdienst.
Toen de regenboogvis eens bij familie op bezoek moest, verkende de eekhoorn het midden van het eiland. Daar vond hij een grote vijver waarboven zwermen bedrijvige vogeltjes cirkelden. Toen de eekhoorn beter keek, zag hij dat het wateroppervlak krioelde van de waterlopers die met ernstige, gefronste gezichten over de vijver renden.
Eén van de vogeltjes legde de eekhoorn uit dat de hele wereld zou verdrinken als de vijver ooit overliep. En dus zorgden de vogels en de insecten ervoor dat dat nooit gebeurde. Zij hielden de beekjes die in de vijver uitmondden, nauwlettend in de gaten. Meteen kwetterden de vogeltjes de waterlopers toe waar er precies een beetje water was bijgekomen. De snelle kevertjes renden dan naar de juiste plaats en tilden daar een klein druppeltje water uit de vijver. Zij droegen dat naar de oever, waar andere vogeltjes het in een blad wikkelden en het naar zee vlogen.
“Ze zijn gek,” murmelden de palmbomen de eekhoorn toe, maar niemand anders leek hen te horen.
“En als er nou plots minder water in de vijver zit?” vroeg de eekhoorn. “Gaan jullie dan water bijhalen uit de zee?”
Die vraag bracht de vogeltjes erg in de war. Nerveus vroegen zij de eekhoorn of hij daar soms meer van wist. Toen de eekhoorn daarop antwoordde dat de vijver in zijn bos vanzelf op het juiste peil bleef, wilden zij hem niet geloven. Zij vonden dat zo lachwekkend dat ze besloten dat ook zijn vraag niet het overwegen waard was, en togen weer aan het werk.
Eigenlijk was de eekhoorn helemaal niet zeker dat zijn vijver in het bos helemaal alleen voor zichzelf zorgde. Misschien dronk de karper voorzichtig elk nieuw regendruppeltje op, of plengde de krokodil net zoveel tranen tot je niet meer zag dat de olifant net zijn dorst had gelest.
De eekhoorn durfde dan ook niet vragen of hij een duik in de vijver zou mogen nemen, en dat vond hij zeer jammer, want het water zag er heerlijk koel uit.
Hij ging dan maar terug naar het strand, waar de regenboogvis hem opwachtte met een kokosnotentaart.
Niet veel later bracht een neef van de flamingo hem terug tot bij de vogelspin, en reisde hij weer naar het bos. Daar stelde hij de karper elke dag wel vijf vragen over de vijver, en telkens beloofde die dat hij het eens aan de forel zou vragen.