De naam van de wezel.

 

 

De eekhoorn hoorde dat er op de deur geklopt werd.

‘Excuseer, mier,’ zei hij, en ging opendoen.

Het was de wezel.

‘Hallo!’ zei de eekhoorn, maar toen merkte hij dat de wezel erg bedroefd keek.

‘Wat is er?’ vroeg hij.

‘Ik ben mijn naam kwijt!’ riep de wezel ongelukkig.  Hij barstte in tranen uit en verstopte zijn gezicht achter zijn voorpoten.

 

De eekhoorn en de mier keken elkaar verbaasd aan.

‘Maar wezel,’ zei de mier, ‘jij heet toch gewoon : wezel.’

‘Wezel?’ fluisterde de wezel vertwijfeld.  ‘Nee, dat is mijn naam niet.  Ik weet wel zeker dat het iets anders is.’

 

De eekhoorn keek uit het raam en zag de neushoorn voorbijlopen.

‘Hé neushoorn!’ riep hij naar beneden.  ‘Weet jij hoe de wezel heet?’

‘Wat bedoel je?’ bromde de neushoorn.  ‘De wezel is de wezel, niet?’

 

Maar de wezel was ervan overtuigd dat hij niet wezel heette.

‘Merkwaardig,’ besloot de mier.  ‘Blijkbaar is de wezel vergeten hoe hij heet, en vergissen alle anderen zich tegelijkertijd, en denken ze dat hij wezel heet.’

 

Het drietal besloot gewoon af te wachten, hopend dat de wezel zich zijn naam wel weer zou herinneren.  Maar een week later wist hij het nog steeds niet.  Hij was nu ten einde raad, want nu hij niet meer wist wie hij was, begon hij steeds meer te vergeten : wat hij graag at en wat hij absoluut niet lustte, bijvoorbeeld.  En waar hij woonde.

En hij vond het flink vervelend dat iedereen hem aansprak met een naam die niet de zijne was – moest hij daar nu op reageren of niet?

 

Toen de wezel na twee weken de olifant muis noemde, ongevraagd de eikenschorsthee van de schildpad opdronk en de das ervan beschuldigde zijn naam te hebben gestolen, greep de mier in.  Hij trommelde alle dieren op (behalve de beer, die zich oversliep) om het hele bos uit te kammen, op zoek naar de naam van de wezel.

 

Ijverig zochten zij op alle plekjes waar hij die had kunnen verliezen.  De forel speurde de hele dag de rivierbodem af, de olifant overzag ondersteboven aan een tak hangend het bos, de eekhoorn keek onder iedere eikel en beukennoot, en het konijn groef tunnels tot zijn poten zwart zagen van het zand.  Maar tegen de avond keerden ze allemaal teneergeslagen terug naar de mier : niets gevonden.

 

Drie dagen en drie nachten lang brak de mier zich het hoofd over dit probleem, terwijl de wezel zich als kolibrie verkleedde en probeerde te piepen als de muis.  Uiteindelijk kwam de mier met een schrandere oplossing voor de dag.

 

Ze brachten de wezel tot bij de python, die had aanvaard de dieren te helpen nadat de eekhoorn hem een uur lang met beukennootjes had bekogeld.  De python hypnotiseerde de wezel met zijn sissende stem, maar zoals verwacht bracht ook dat de herinneringen van de wezel niet terug.  Daarop bracht de slang het plan van de mier tot uitvoering, en liet de wezel vergeten dat hij zijn naam vergeten was.

 

De volgende morgen ontwaakte de wezel uit zijn roes.  Hij lag op de vloer van het huisje van de eekhoorn, die net een geurige pot thee had gezet.

‘Dag wezel!’ zei de eekhoorn goedgemutst.

‘Wezel!’ bromde de wezel tevreden.  ‘Ja, natuurlijk!’

Opgewekt schonk hij zichzelf en de eekhoorn een tas thee uit.  Ze gingen op een brede tak in het zonnetje zitten en praatten over de libel, die zij beiden al lang niet meer hadden gezien.