De mier heeft niks gezien.
De mier was een beetje
duizelig, want hij had zolang in de diepte gekeken dat hij er bijna was
ingevallen. Daarom kwam de eekhoorn
naar hem toe in plaats van omgekeerd, zodat de mier niet in de grote beuk moest
klimmen. Tesamen gingen ze in de
voortuin van de koe zitten, een weide zo plat dat het onmogelijk was om eraf te
vallen, al had de eekhoorn het voor de zekerheid toch geprobeerd voor hij de
mier ging ophalen.
‘Waar heb je de diepte
gevonden?, vroeg de eekhoorn.
‘Nergens,’ zei de
mier. Hij leek weinig spraakzaam.
‘Maar dat kan toch niet?’
drong de eekhoorn nieuwsgierig aan.
‘Ik heb ze nergens
gevonden,’ legde de mier uit, schrander als altijd, ‘omdat ik haar helemaal
niet zocht. Ze kwam naar mij toen ik
mij afvroeg wat ik moest doen.’
‘Moest doen?’ vroeg de
eekhoorn, zich bijna verslikkend in een gesuikerd beukennootje.
‘Gewoon, wat er zo
belangrijk is dat ik het absoluut moet doen, wat er echt toe doet,’ zei de mier
ernstig. ‘Toen kwam de diepte naar mij
en ze zei dat het antwoord op haar bodem lag.
Dus heb ik gekeken tot mijn ogen er pijn van deden. Zo diep heb ik gekeken.’
De eekhoorn was onder de
indruk. Zelfs als hij van het bovenste
topje van zijn beuk naar de grond keek, deden zijn ogen geen pijn.
‘En wat zag je dan?’
vroeg hij, zo opgewonden dat hij van het ene been op het andere wipte zonder
het te beseffen.
‘Nou, niks,’ gaf de mier
met een gekwelde blik toe. ‘Ik denk dat
ik eigenlijk nooit iets heb gedaan, en dat ik ook niks te doen heb.’ Hij keek steeds gekwelder en de eekhoorn
hoopte dat dat nog steeds was van het in de diepte kijken.
‘Goh,’ zei de eekhoorn
voorzichtig na lang zwijgen, want hij had wel vaker het gevoel dat hij de
opmerkingen van de mier niet helemaal begreep.
‘Voor mij doe je er echt toe. Je
hebt me karamelkoekjes leren bakken,’ zei hij aarzelend.
De mier keek hem een
beetje spottend aan.
‘En je hebt me de verte
laten zien,’ ging de eekhoorn verder.
‘En niemand heeft ooit zo lang geprobeerd mij uit te leggen waarom het
mogelijk is dat de olifant nièt uit de boom zou vallen. En je bent de enige die mijn eikelthee
lust.’
De mier trok een vies
gezicht.
‘Misschien,’ besloot de
eekhoorn, ‘was ik zonder jou niet dezelfde eekhoorn geweest.’
De mier krabbelde
overeind en zette een pas of twee. Hij
leek toch niet meer zo erg te slalommen.
Met lange passen keerden zij terug naar het bos.
‘Als je toch niks te doen
hebt,’ zei de eekhoorn opgewekt, ‘kan je me misschien helpen. Ik wilde net een honingtaart maken.’
Voorzichtig hielp hij de
mier van tak tot tak.