De
mol en de den.
Op een dag besloot de mol dat het Kerstmis was en vroeg hij de dieren om een kerstboom. Hij had al een mooie, statige den uitgezocht en wist precies hoe de slingers moesten worden opgehangen. Hij wilde ook kerstballen en figuurtjes uit speculaas, en het vuurvliegje moest ’s nachts van tak naar tak dansen.
Maar de andere dieren vonden dat geen goed idee. Ze waren bang dat de olifant zich erg zou bezeren wanneer hij uit de kerstboom viel. Hij zou met z’n slurf in zo’n slinger verstrikt geraken, of hij zou bovenop een kerstbal terechtkomen en dat deed vast pijn.
Alleen de olifant zelf was erg enthousiast. Hij wilde in het topje van de den gaan staan en met het vuurvliegje meedansen. Hij zou ’s morgens heel voorzichtig weer naar beneden klimmen, beloofde hij.
De dieren stelden voor dat de den op de grond zou gaan liggen om ongelukken te vermijden, maar die vond dat beneden zijn waardigheid.
De mol was ontroostbaar en de olifant gedroeg zich erg humeurig. Hij eiste een kerstboom.
Ten einde raad probeerde de wasbeer zich als kerstboom te verkleden, maar hij viel door de mand toen de olifant op zijn hoofd wilde klimmen, en de mol tegelijkertijd aan zijn tenen kietelde.
Toen sloot de olifant zich op in het hol van de mol en weigerde er nog uit te komen. Na twee dagen kreeg hij echter ruzie met de mol over de kleur van de vleugeltjes van de suikeren elfjes voor de kerstboom, en boos gingen zij uit elkaar.
Dat was het laatste dat van de kerstplannen van de mol werd vernomen.
De wasbeer zuchtte opgelucht en hoopte dat het nooit meer Kerstmis zou zijn.