De antigodin.

 

Het was een rustige dag op de godenberg en het zag ernaar uit dat niets het gezapig uitwisselen van roddels zou kunnen verstoren, toen plots Lenter, god van de lafhartigen, met ongebruikelijke furie het pantheon in rep en roer zette.

‘Help!’ riep hij.  En nogmaals : ‘help!’

‘Ja ja, rustig maar,’ bromden de andere goden, al tevreden dat al dat kabaal maar Lenter betrof, die weinigen ernstig namen – zijn vader was immers beschermgod van een uitgestorven diersoort.

‘We moeten vluchten zo snel we kunnen,’ spoorde hij hen aan, ‘de antigodin komt eraan en ze heeft Bris, godin der zeemansweduwen, met kop en staart verslonden!’

Nu ontstond er enige opschudding in de krans der onsterfelijken.

‘Een godheid verorberen?  Het is ongehoord!’ snoven zij, als had net iemand zonder excuses een wind gelaten.

‘We zullen haar eens op haar plaats zetten, die antigodin, en misschien kunnen we die arme Bris nog wel redden.’

 

Niet veel later kwam ze dan de godenberg opgestormd, de antigodin.  Haar huid was van zilver, heur haar van koper, en haar ogen fonkelend goud, en ze had een zwieperige paarse staart die door een grote scheur in haar sjofele jurkje naar buiten stak.

De verzamelde deiteit ontving haar op luid boegeroep, enkele dames wendden verontwaardigd het hoofd, de oorlogsgod hief zijn bazuin, en de dondergod ontketende een heus vuurwerk van bliksem.

Maar toen slaakte de antigodin een gebrul angstaanjagender dan alle beesten van de onderwereld, en zij zwegen.

‘Ik ben de antigodin, en jullie moeten doen wat ik zeg!’ riep zij luid.  Ze grauwde en opende haar mond; tanden van een meter lang blikkerden in het zonlicht.

Toen de oorlogsgod met getrokken kling op haar af stormde, veranderde zij hem met een grom in een kanariepietje, en toen de godin van de schoonheid haar daarop hautain een gebrek aan smaak en stijl verweet, toverde zij die om tot een gruwelijk lelijke kol, waarop die prompt degradeerde tot godin van stiefmoeders in sprookjes.

‘Vooruit dan maar, wat wil je dat we doen?’ waagde Lenter als eerste, en alle aanwezigen knikten instemmend.

De antigodin grijnsde tevreden.

‘Ik wil dat jullie voor mij de beste taart maken die ooit gemaakt is!’ riep zij vol vuur.

 

Daarop togen de goden aan het werk, ongebruikelijk eensgezind en efficient.  Want Rora, de godenkok, was voor een keer de baas, en Linte, de godin der artiesten, zegende zijn handen.  En Kyrsa, vruchtengodin, plukte haar lekkerste bessen, en Kert, de god van de slechte smaak, werd zonder pardon  van de berg gekegeld.  De aromagodin Jinste liet haar eigenste parfum over het baksel waaien, en Wix, de chocoladegod, werd ondanks tegenstribbelen volledig in de taart verwerkt.  Tenslotte schreven zij in slagroom ‘voor onze allerliefste antigodin’ op het heerlijke gebak, en strooiden er helemaal op het einde nog een handjevol amandelschilfers over uit.

 

De antigodin trok die lekkernij uit hun handen en klauterde tot op het topje van de godenberg, waar zij gans alleen van het uitzicht wilde genieten terwijl de wind haar koperen haren deed rinkelen.  Zij wierp een voorbijvliegende vogel een nootje toe en knabbelde een hoekje van haar taart.  Ze zuchtte gelukkig.  Dit was de beste verjaardag die ze ooit had gevierd.